recensie In 1662 leed de Hollander Volkert Iversen schipbreuk, waarna hij met zijn bemanning aanspoelde op Mauritius. Dit eiland, oostelijk van Madagascar, had enkele decennia dienst gedaan als Hollandse kolonie en als bevoorradingsstation op weg naar de Oost, maar het was sinds een paar jaar verlaten. De uitgehongerde schipbreukelingen stroopten het eiland af, maar konden niets van hun gading vinden. Zelfs geen dodo, de grote duifachtige vogel wiens vlees al vele schippersmagen had gevuld. Maar op een eilandje voor de kust, zo dichtbij dat Iversen en zijn mannen er bij eb heen konden waden, daar liepen nog enkele dodo's. Ze werden aan het spit geregen.
Iversen werd na een paar dagen door een passerend schip opgepikt. Sindsdien heeft geen mens meer een levende dodo gezien, en het is zo goed als zeker dat het dier toen, of niet veel later, is uitgestorven. De dodo was niet de eerste diersoort die van de aardbodem verdween, maar het was wel de eerste keer dat de mens direct aan die uitroeiing had bijgedragen.
Duizenden jaren had de dodo onbedreigd op Mauritius geleefd. Hij kende er geen natuurlijke vijanden en ook de Arabische en later de Portugese zeevaarders hadden het niet op hem gemunt. Met de komst van de Hollanders in 1598 begon een ander verhaal. Hoewel zij het dier de walgvogel noemden, weerhield zijn smaak hen er niet van de dodo massaal de kop af te hakken en zijn vlees te pekelen. In de tijd van één mensenleven was het met de dodo gebeurd.
Toch vertelt de vraatzucht niet het hele verhaal. Minstens zo fataal voor het lot van de dodo waren de dieren die de mens op Mauritius introduceerde. Vooral voor de varkens van de Portugezen en de apen die met de Hollanders meekwamen, was het eiland een luilekkerland. Binnen de kortste keren kwamen deze dieren bij duizenden in het wild voor, waar ze zich onder andere tegoed deden aan de - schaarse - eieren van de dodo.
Daar was deze vogel niet op voorbereid, schrijft David Quammen in zijn mooie en indringende boek 'Het lied van de dodo', dat eind deze maand in de Nederlandse vertaling verschijnt. Het boek leest als een avonturenroman; Quammen bezoekt zelf de plaatsen die een rol speelden in de geschiedenis van de dodo en van talloze andere (bijna) uitgestorven diersoorten. De dodo, beschrijft de auteur, was een evolutionair succes: het dier had in de loop der eeuwen een strategie ontwikkeld die goed paste bij Mauritius.
Hoogstwaarschijnlijk at hij van de bomen gevallen vruchten. In tijden van overvloed mestte hij zichzelf vet zodat hij de schaarse maanden kon overleven. Dat was effectiever dan de methode van andere vogels die zich geen overgewicht konden permitteren en voortdurend kleine beetjes tot zich moesten nemen. De strategie had één nadeel: de vijftien kilo zware dodo kon niet vliegen en nestelde noodgedwongen op de grond. Op Mauritius was dat geen bezwaar, roofdieren of eierjagers waren er niet. Totdat de mens kwam met zijn varkens en apen.
Quammen rekent in zijn boek af met het vooroordeel dat het uitsterven van de dodo niet zo dramatisch is omdat het dier een evolutionaire miskleun zou zijn geweest. Of hij nu Alice in Wonderland ontmoet of op schilderijen verschijnt, de dodo is altijd een karikatuur van zichzelf. Die dwaze, gezwollen, luie vogel met de grote kont, vat Quammen samen. Geen wonder dat de dodo het loodje legde: hij was zo stom en mak dat hij zich eenvoudig bij de hals liet grijpen. Maar nee, de dodo was hoogstens ecologisch naïef: na al die paradijselijke jaren had hij afgeleerd te vermoeden dat andere creaturen gevaarlijk konden zijn.
De dodo is wel een prima voorbeeld van de grillen en grollen van de zogeheten eiland-evolutie, vervolgt Quammen. Normaal is de evolutie een traag, stroperig proces waarbij soorten zich ontwikkelen of opsplitsen en de kleine niches, de 'open plekjes' in ecosystemen opvullen. Die boomblaadjes hebben nog geen liefhebber; deze apen zouden daar wel voor in aanmerking komen maar dan moeten ze iets groter worden; maar ook weer niet te groot want dan zijn ze een te gemakkelijke prooi voor dat roofdier: het is een voortdurend passen en meten, een gemanoeuvreer op de vierkante millimeter; vele strategieën worden uitgeprobeerd, slechts weinige zijn succesvol.
Zo niet op een eiland. Daar zijn zoveel open plekken, daar kan de evolutie met een paar ferme penseelstreken haar ontwerp neerzetten. Daar werkt de natuur in superlatieven en rariteiten. Op eilanden is plaats voor dwergolifanten - ter grootte van een pony; inmiddels uitgestorven - die als prooi dienen voor een reuzenhagedis - de komodovaraan, een reptiel van drie meter lang, een paar honderd kilo zwaar, dat zich tegenwoordig met herten voedt. Op Sint Helena leefde, althans tot voor kort, een reuzenoorwurm, op Madagaskar liep ooit een soort olifantsvogel van een halve ton rond. Australië heeft zijn buideldieren, Nieuw-Zeeland een vleesetende papegaai en de Galapagos-eilanden natuurlijk de reuzenschildpadden en de vele vinkjes.
Lange tijd golden eilanden als uitzonderlijke situaties, als de vreemde eenden in de bijt. Maar dat is een misvatting, maakt Quammen meer dan eens duidelijk. Eilanden leggen hooguit een vergrootglas op het evolutieproces, maar essentieel anders verloopt het niet.
Nieuwe soorten ontstaan wanneer individuen van een soort worden gescheiden en ze zich in een andere richting ontwikkelen. Bijvoorbeeld wanneer het land waar ze zich bevinden door het stijgen van de zeespiegel een eiland wordt - tijdens de laatste ijstijd waren vele eilanden van de Indonesische archipel met elkaar, en met het continent verbonden. Geografisch isolement is het vliegwiel van de evolutie en op een eiland is het isolement voor de meeste dieren absoluut.
Wat eilanden wel uitzonderlijk lijkt te maken, is hun kwetsbaarheid. Veel eilandbewoners hebben zo'n specifieke strategie ontwikkeld, dat de komst van de mens - en met hem andere dieren - fataal is. In de afgelopen vier eeuwen waarin Homo sapiens de wereld aan zich onderwierp, zijn er bijvoorbeeld 171 vogelsoorten uitgestorven. De eerste en de beroemdste was de dodo. Van die 171 soorten leefden en stierven er 155 op eilanden. Dat is meer dan 90 procent. Eilanden zijn de plaats waar soorten heen gaan om te sterven, merkt Quammen somber op.
Dertig jaar geleden zorgden twee Amerikaanse biologen voor een revolutie binnen hun vak. In 1967 publiceerden Edward Wilson en Robert MacArthur hun theorie van de eilandbiogeografie. Kort samengevat: het aantal soorten op een eiland is een dynamisch evenwicht. Soorten sterven uit, er komen nieuwe bij, voornamelijk door kolonisatie, maar het totale aantal is constant. Hoeveel soorten een eiland herbergt, wordt bepaald door de oppervlakte van het eiland en de afstand tot het continent.
De revolutie die Wilson en MacArthur ontketenden, had twee aspecten. Ten eerste verrijkten ze hun vak, dat tot dan toe vooral beschrijvend van aard was, met een wiskundige theorie. Een theorie die ze empirisch wisten te bewijzen: het eiland Krakatau, dat zichzelf in 1883 met één grote knal opblies, werd exact volgens de formule van Wilson en MacArthur herbevolkt. Zo'n succes wekt steevast, en dus ook hier, een stroom van nieuwe activiteiten op.
Maar het riep ook irritatie en protest op. Veel biologen verzetten zich tegen de klinische benadering. Groenland is toch geen Madeira of Hawaï, wierpen ze tegen, en het maakt toch wel uit of het om kikkers, uilen of olifanten gaat? Tal van onderzoekers trokken de oerwouden in of verscheepten zich naar verre eilanden om hun gelijk of het ongelijk van hun tegenstanders te bewijzen. Het paradigma verschoof: de soort-oppervlakte-verhouding werd vervangen door de minimaal kritische grootte van een ecosysteem, en dat weer door levensvatbare populaties. Maar de tegenstelling hield jarenlang stand.
Het debat verstomde toen de wetenschappers dreigden te worden ingehaald door de praktijk. De wetenschappers hadden zelf vrij snel ingezien dat de eilanden van MacArthur en Wilson niet al te letterlijk moesten worden opgevat. Op een continent kwamen ook 'eilanden' voor. Voor een aap die door de bomen slingert, is een grasveld even onoverkomelijk als de Indische Oceaan voor de dodo. Een natuurreservaat dat omringd wordt door steden en snelwegen, is ook een eiland.
Uit die reservaten kwamen geluiden die de wetenschappers met de neus op de feiten drukten. Allereerst waren er de opzichters die de academische formules wat al te rigide toepasten: als de wetenschap beweerde dat een populatie minimaal vijftig exemplaren moest tellen om levensvatbaar te zijn, had het dus geen zin meer om een geïsoleerde groep van 38 poema's te beschermen.
Er was ook nog een tweede geluid. Het uitsterven dat nu al enkele eeuwen op de eilanden woedt en vele soorten heeft weggevaagd, is overgeslagen naar het vasteland. De wereld versnippert, natuurgebieden worden steeds kleiner, worden steeds vaker doorkruist door wegen en steden, en soorten verdwijnen.
Quammen is niet optimistisch over de afloop. Als het in dit tempo doorgaat, zal over enkele decennia 90 procent van de soorten verdwenen zijn. Is dat erg, vraagt hij zich aan het eind van zijn boek af. Nee, zeggen de opportunisten, uitsterven hoort bij de evolutie. Soorten verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe soorten. Probleem is alleen dat de evolutie het huidige tempo van uitsterven niet bij kan benen.
Is dat dan erg? Van veel soorten die verdwijnen, weten we het bestaan niet eens, dus waar zouden we over klagen? Bovendien, citeert Quammen de ecoloog Michael Soulé, er bestaan geen hopeloze gevallen; alleen dure gevallen en mensen zonder hoop. Quammen wordt daar echter niet vrolijk van. De spectaculaire dieren zoals de olifant of de giraf, zullen het wel redden, denkt hij, maar wie bekommert zich om die bedreigde kever?
Waarom zouden we ons daarom moet bekommeren? Niet vanwege het nut van dat ene dier of ecosysteem, zegt Quammen, dat nut legt het vroeg of laat af tegen een of ander economisch nut. Het zou een esthetisch motief moeten zijn, vindt hij. De wereld wordt een stuk armer zonder de diversiteit van flora en fauna. Een verarming die ruim drie eeuwen geleden begon. Niemand zal ooit nog weten hoe het lied van de dodo klonk, omdat destijds geen Portugees of Hollander zich de moeite getroost heeft de bossen van Mauritius in te trekken om te gaan luisteren.
Wie dat niet betreurt, moet ook niet zeuren als we het over een paar eeuwen blijken te moeten doen met het gezelschap van spreeuwen, ratten, kakkerlakken en paardebloemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.