*

 

Kerkschilder koos voor sfeer

Cees Straus − 21/08/99, 00:00

recensie De 19de eeuwse schilder Johannes Bosboom (1817-1891) heeft van het kerkstuk zijn specialisme gemaakt: het onderwerp duikt in honderdvoud in zijn oeuvre op. Onder de indruk van het machtige interieur koos hij voor de gotische architectuur die met haar naar de hemel klimmende lijnen en haar bijzondere lichtinval veel indruk maakte op de schilder.

Maar Bosboom wilde meer dan alleen verslag doen van zijn door de architectuur geïnspireerde emoties. Hij keek ook met een welwillend oog naar preken en diensten in destijds nog welgevulde ruimtes, naar monniken die orgel speelden en, als het om een synagoge ging, om lezende en biddende joden. Bosboom is daarmee bij uitstek de kerkenspecialist van de 19de eeuw geworden, waarmee hij voortgaat in een ontwikkeling die al door Geertgen tot Sint Jans werd ingezet en waarin ook Pieter Saenredam en Emmanuel de Witte een plaats hadden.

Aan Saenredam moet je trouwens vaak denken bij het zien van de monografische tentoonstelling van Johannes Bosboom in het Rijswijks Museum in de Zuid-Hollandse gemeente. Die gedachte wordt nog eens versterkt in de veelomvattende studie die Henk Dinkelaar aan de Haagse schilder heeft gewijd en die nu als catalogus bij de expositie dient. Dinkelaar en zijn mede-auteur Daniëlle Kaatman (die de beredeneerde catalogus voor haar rekening nam) deden een geslaagde poging om inzicht te geven in het enorme oeuvre dat Bosboom heeft achtergelaten. Het lukt Dinkelaar Bosboom de juiste plek in de kunstgeschiedenis te geven, maar hij gaat helaas niet in op de invloeden die de Haagse schilder ontegenzeglijk had.

Voor Dinkelaar is Bosboom de laatste kerkschilder in een ontwikkeling die al in de late middeleeuwen is begonnen. Feit is dat het schilderen van kerkinterieurs sinds enige tijd weer populair is, met name de Groninger en Mokumrealisten (Henk Helmantel, Maarten 't Hart) willen zich nog wel eens uitleven op zo'n door zijn soberheid aansprekend interieur.

Wie Bosboom uitsluitend als kerkschilder benadert (hij schilderde ook strandgezichten, boereninterieurs, stadsgezichten en landschappen, wat hem tot een allround schilder maakte), kan zijn voornaamste ontwikkelingen op de voet volgen.

Hij werd geboren (in 1817) in een tijd waarin de romantiek de kop begon op te steken, hij kende het realisme (de stijl die hij waarschijnlijk het meest heeft gehanteerd) en ontwikkelde voor Nederland een eigen variant van het impressionisme, waarmee hij zich op één lijn stelde met Jongkind, dus nog vóór het Franse impressionisme.

Al die stijlen zijn in de kerkinterieurs (en enkele exterieurs moet je er onmiddellijk aan toevoegen) terug te vinden, zonder dat er sprake is van grote stijlbreuken. Want Bosboom bouwde aan een consistent oeuvre, niet alleen in onderwerpkeus, maar ook in uitdrukking. Het moet een rechtstreeks uitvloeisel zijn geweest van een bedachtzame, beschouwende natuur die voorkwam dat hij de verkeerde beslissingenzou nemen.

Op dat punt kwam hij waarschijnlijk wel overeen met Pieter Saenredam, die als schilder ook zelden op een impulsieve handelwijze was te betrappen. Maar verder zijn er weinig overeenkomsten. Bosboom hield, ook al handhaafde hij de realiteit als uitgangsbron, vast aan een sfeervolle weergave van wat hij in de kerk aantrof. Zijn figuren, soms een menigte gemeenteleden, maar ook een eenzame koorbankzitter, zijn meer dan stoffering, in tegenstelling tot Saenredam die de aanwezigheid van de kerkgangers gebruikte om de maat van de ruimte op de juiste wijze te laten bepalen.

Heel mooi heeft Bosboom de menselijke aanwezigheid in een interieur van de Hervormde Kerk in Hattem verbeeld, waar een grote groep aanwezigen aandachtig naar de preek luistert. Bosboom slaagde erin de voorstelling zoveel atmosfeer mee te geven, dat de preek als het ware te beluisteren valt. Toch bleef hij in een voorstelling als deze al zijn idealen trouw: boven de menigte torenen de kansels (maar liefst drie zijn er te tellen) uit, die op hun beurt weer bekroond worden door de gewelven van viering en koor.

Zuilen en pilaren, spitsbogen en gewelven zijn de vaste ingrediënten voor Bosbooms kerkinterieurs, gegevens waar hij zijn leven lang aan vasthield. Dat zorgt tegelijk voor een grote hoeveelheid gotische kerken, want zij waren met hun rijzige vormen natuurlijk de eerst aangewezen onderwerpen.

Het is interessant te zien hoe Bosboom reageerde als hij ook eens een niet-gotische kerk onder handen nam. Zo stuitte hij op zijn reizen door België en Duitsland onvermijdelijk op barokinterieurs die hij, verrassenderwijze, even krullerig en sierlijk poogde weer te geven. Op haar beurt moet toch ook de barok Bosboom hebben gefascineerd: waarschijnlijk sprak het over-realistische karakter van het beeldenprogramma hem als realist wel aan.

Opvallend is dat hij deze kerken niet met eigentijdse gelovigen vult, maar, net als dat in de 17de eeuw gebeurde, teruggrijpt op historische figuren zonder daar evenwel een historische context aan toe te voegen. Ook honderd jaar na zijn dood en een gering aantal (na-oorlogse) exposities en dito publicaties (van een beredeneerde catalogus is nu pas sprake) blijft Bosboom een fascinerend schilder. De vele liefhebbers wisten dat al, het wachten was alleen op een museum en een biograaf die Bosbooms kwaliteit op zijn waarde wisten te schatten.

mailIcon print |