*

 

'Volgens mij ben ik een dominee. Zonder preek.'

ONNO BLOM − 19/05/95, 00:00

recensie Arjan Witte: Rode zeep. In de Knipscheer, Amsterdam; 160 blz. - ¿ 29,50.

De rode zeep wijst tegelijkertijd terug naar het verleden, naar de tijd waarin die zeep nog nodig was in de fabrieksstad Zuilen om het smeer en het vuil van de handen te wassen. “Van dichtbij zag ik de kleine korreltjes in de zeep. Die schuren het goorste vet van je handen. Het merk ben ik gek genoeg vergeten.”

In het ontwortelde en troosteloze stadje - achter prikkeldraad staat ergens geschreven: “Zuilen, als gemeente opgeheven / als gemeenschap gebleven” - groeit in de jaren zeventig een groepje adolescenten voor galg en rad op. Onder het motto catch as catch can, grijpen wat je grijpen kunt, zetten ze elkaar en anderen af, snuiven ze cocaïne en stelen ze als de raven.

Zo heelt de 'leider' van de groep, Anton Coens, nep-Rolex-horloges en berooft hij de sportschoolhouder van al zijn kratten drank. Uiteindelijk probeert hij een meisje te verkrachten. Hij ziet dat zelf niet als een zwaar vergrijp: “O kijk, ik kan het niet helpen als een wijf het op d'r heupen krijgt. Niet gewoon sorry, goeiedag . . . Nee, gillend wegrennen. En eerst was ze niet bij me weg te slaan. En als ze dan zeggen, de man heeft het voor het zeggen en dat is niet eerlijk, nou dat hebben ze wel aan zichzelf te danken, dan.”

De rivaal van Coens is Van der Vlist, een al even gewelddadig en bizar type. “Van der Vlist draaide je arm op je rug en legde daarna zijn arm over je schouder, om op zachte toon verder te praten. Van der Vlist was heel speciaal sociaal. Hij zou nog neuken met een lijk. Zijn eigen woorden. Als het maar een mooi wijf was. Geweest.”

De meest karikaturaal geschetste figuur uit de groep is Frans, de zwager van Anton. Deze Frans heeft krullen in zijn nek, draagt altijd een trainingspak en heeft een grote hond met 'meer gebit in de kop dan hersens'. Zijn trots is zijn wapencollectie, waartussen ook een dolk van de Hitler Jugend prijkt. Van Frans zijn de briljant filosofische opmerkingen: “Alleen we zitten momenteel midden in een democratiseringsgolf. Met als een van de neveneffecten de democratisering van geweld. En dat is niet te stoppen. Dat wordt een golfslag op zich. Dat zal de tijd leren.”

De hoofdpersoon en verteller van het verhaal - die net als de schrijver Arjan Witte heet - wil zich wel verzetten tegen deze golf van geweld, maar heeft niet het lef zich te onttrekken aan de criminele moraal van de groep. “Ik ben nooit een held geweest en ik zal het niet worden ook, maar ik heb het wel geprobeerd”, zegt hij al in het begin van de roman. Toch wordt Witte - de enige van de groep die naar het atheneum gaat - gezien als een vreemde eend in de bijt. Iemand zegt tegen hem: “Als je denkt je een beetje te kunnen redden met dat rondkoekeloeren en hier en daar een stomme opmerking, nou vergeet het maar gerust.”

De dubbelzinnige positie van Witte stelt hem enerzijds in staat als insider met oog voor detail en zonder te veel vooropgesteld moralisme te berichten over de gevoelens die binnen zo'n groep leven. Anderzijds neemt hij voldoende afstand om in korte zinnetjes situaties te ironiseren of er juist de ernst van te benadrukken.

Arjan Witte heeft in zijn sociaal realistische roman een goede balans kunnen vinden tussen oprechte gevoelens en bravoureverhalen, tussen een 'zwaar' onderwerp en een lichte stijl. In 'Rode zeep' typeert hij dat zelf het beste: “Volgens mij ben ik een dominee. Zonder het zelf te weten. En zonder preek.”

mailIcon print |