*

 

Regent, koopman, schilder in de Hollandse Gouden Eeuw

E. H. KOSSMANN − 05/01/96, 00:00

recensie H. M. Beliën, A. Th. van Deursen en G. J. van Setten (red.): Gestalten van de Gouden Eeuw. Een Hollands groepsportret. Bert Bakker, Amsterdam; 420 blz. - ¿ 49,90.

Dit is geen algemene, als verhaal vertelde geschiedenis van de periode maar een reeks essays over de belangrijkste groepen uit de samenleving. De redactie heeft niet geprobeerd deze artikelen tot een geheel samen te voegen. Binnen zekere grenzen bepaalden de auteurs zelf hoe zij hun opdracht konden uitvoeren en hun stof het duidelijkst konden ordenen. Gegeven de kwaliteit van haar medewerkers nam de redactie daarmee geen risico.

Dit is een sober boek. Het werd door bedachtzame auteurs geschreven voor bedachtzame lezers. Het is een boek zonder uitroeptekens en zonder fraseologie over het glorierijke verleden of over de oude schuld. Het werd ook niet opgezet om op de stof 'nieuw licht' te werpen. Mede dankzij deze ingetogenheid is het een uitstekend werk geworden. Het is boeiend, toegankelijk, informatief en biedt herhaaldelijk oorspronkelijke inzichten. Al is het bescheiden van toon en ambitie, banaal is het niet, integendeel, het is fris, levendig en zelfstandig in zijn interpretaties.

De Britse historicus J. L. Price opent het boek met een essay over 'De regent'. Het is een geleerd en weloverwogen maar nogal streng stuk dat door 'gevorderde' lezers meer zal worden gewaardeerd dan door beginners die niet op de hoogte zijn van de over dit onderwerp gevoerde discussies. L. Kooijmans behandelt 'De koopman'; hij toont hoezeer deze afhankelijk was van zijn familierelaties en persoonlijke vrienden en hoe voorzichtig hij zijn riskante bedrijvigheid placht uit te voeren. 'De zeeman' wordt door C. A. Davids beschreven in een enthousiaste studie, zeer leesbaar en boordevol interessante informatie. Dit is een van de rijkste bijdragen uit de bundel. A. Th. van Deursen schetst 'De dominee' en kiest daartoe de calvinistische predikant die hem het naaste is. Hij identificeert zich in zo'n mate met zijn object van studie dat het op zichzelf fraaie betoog spanning mist en de lezer geen ruimte laat.

H. L. Zwitser schrijft over 'De soldaat'. Dit is een krachtig, zaakrijk en overzichtelijk hoofdstuk geworden waarin de organisatie, de financiering en het belang van het leger op voorbeeldige wijze worden gekarakteriseerd. 'De geleerde' door K. van Berkel is een eveneens voortreffelijk en veelomvattend essay over de geschiedenis van de wetenschap waarin de auteur eigen accenten plaatst die bepaald van belang zijn.

Zoals men van deze auteur verwachten mag geeft E. van de Wetering in 'De schilder' een schets van de technische kennis, beroepsuitoefening en sociale status van de Hollandse schilder. Het is steeds weer boeiend te constateren hoe radicaal de huidige visie dankzij veel nieuw onderzoek is gaan verschillen van de tot in de vroege twintigste eeuw gangbare romantische opvattingen.

Met haar lange stuk over 'De vrouw' had E. M. Kloek het moeilijk. Haar overigens knap verzamelde gegevens leverden geen beeld en geen mogelijkheid tot generalisatie. De Amerikaanse historicus J. de Vries verdiepte zich in de economische activiteiten van 'De boer' en hij slaagde erin in een luttel aantal pagina's recht te doen aan de complexiteit van het thema. Bij hem treft men geen pittoreske, onbehouwen of zielige boer aan zoals de conventie in schilderkunst en literatuur hem toonde, maar een rationeel handelende en succesrijke ondernemer.

L. Noordegraaf kreeg 'De arme' toegewezen. Hij schreef een rijk gestoffeerd stuk over een moeilijk samenvatbaar onderwerp waaruit men leert dat in de welvarende Republiek een vrij groot aantal - misschien zelfs een kwart van de Hollandse bevolking - vaak of soms een beroep op een liefdadige instelling moest doen om in leven te kunnen blijven. In vergelijking met de rest van Europad was de sociale zorg echter vrij goed en volgens zeventiende-eeuwse normen adequaat.

E. K. Grootes sluit de bundel af met een ingenieuze karakteristiek van 'De literator' die geen beroepsbeoefenaar was (met het schrijven van schone letteren immers verdient men, als het goed gaat, eer maar geen geld) en daarom hier wordt bestudeerd vanuit het beroep (of de stand) waarvan hij leeft - edelen, regenten, kooplieden, zeelieden, dominees, enzovoort. Grootes slaagt erin de grote lijnen van de letterkundige geschiedenis ook in deze aan de opzet van het boek zorgvuldig aangepaste vorm goed te doen uitkomen. Het boek heeft geen conclusie, geen boodschap en geen moraal. Het geeft meer dan dat: informatie, inzicht en leesplezier.

mailIcon print |