*

 

Alsof de Stasi nog steeds bij De Bruyn voor de deur staat

ODILE JANSEN − 10/01/97, 00:00

recensie Günter de Bruyn: Vierzig Jahre: Ein Le-bensbericht. Fischer Verlag, Frankfurt am Main. 265 blz. - f 55,70/DM 39.80.

'Vierzig Jahre' begint waar 'Zwischenbilanz' eindigt, in 1949 het jaar waarin de DDR gesticht zou worden en de 23-jarige aspirantschrijver besloot de bibliothecarisopleiding in de Russische sector van Berlijn te volgen.

Veertig jaar later mocht De Bruyn, zoals hij schrijft, voor de tweede keer in zijn leven het genoegen smaken om de ineenstorting te beleven van een als eeuwig aangekondigd rijk. Een collaps die letterlijk plaatsvond met de val van de Muur, waarmee als in een sprookje het definitieve einde van de socialistische heilstaat werd ingeluid. Het slot van 'Vierzig Jahre' is aan deze gedenkwaardige gebeurtenis gewijd, die wel wat aan glans heeft ingeboet sinds de euforie plaats heeft gemaakt voor pessimisme en resignatie. Het deficit van de Wiedervereinigung wordt overigens door De Bruyn in retrospectief al ingeschreven op de dag na die negende november, toen 'de antikapitalistisch opgevoeden zich vergaapten aan de welvaart van het kapitalisme'.

Tussen het eerste en het laatste hoofdstuk in, die de geboorte en de begrafenis van de DDR memoreren, wordt een leven geschetst waarin de staat altijd indringend aanwezig was. Niet alleen als onzichtbare ongewenste derde in vriendschappen en liefdesrelaties, maar ook - in de gedaante van Stasi en censuur - als kwelgeest en verleider van de schrijver. Want De Bruyn, die uit zou groeien tot een vooraanstaand schrijver en lid van de oppositie, was eerst als bibliothecaris en later als debuterend auteur niet helemaal vrij te pleiten van volgzaamheid. Genadeloos kritiseert hij zijn gesjoemel met het geweten om erger te voorkomen en conflicten te vermijden.

Hoewel De Bruyn om zijn pekelzonden heel wat minder reden heeft tot zelfkastijding dan bijvoorbeeld Hermann Kant, de SED-ge-trouwe voorzitter van het Schriftsteller-verband, maakt zijn verhaal weer eens duidelijk voor welke dilemma's intellectuelen en kunstenaars zich in de DDR geplaatst zagen. Al had De Bruyn het in zekere zin gemakkelijker dan zijn linkse collegae die het systeem bekritiseerden, zoals Christa Wolf, Volker Braun en Wolf Biermann.

De Bruyns burgerlijk-katholieke achtergrond en haast instinctieve afkeer van autoriteiten en carrièrejagers, schiepen van meet af aan een afstand tot staat en partij, terwijl de relatie van - dissidente - linkse intellectuelen tot de SED vaak door sterke ambivalenties gekenmerkt werd. Dit leverde enkelen van hen na de Wende de beschuldiging op zich aan de staat 'verkwanseld' te hebben. In elk geval kan de verhouding tussen de DDR en haar - oppositionele - culturele elite moeilijk anders dan uiterst complex genoemd worden, zeker na de onthullingen over de samenwerking met de Stasi door o.m. Christa Wolf en Sascha Ander-son. Het schimmige machtsspel dat de staat speelde met haar paradapaardjes, krijgt in 'Vierzig Jahre' iets tragi-komisch. De Bruyns gevoel voor understatement en de zelfrelativering die hij aan de dag legt, leiden regelmatig tot humoristische passages, zoals die waarin hij zich er teleurgesteld over toont, maar twee dagen door de Stasi bewaakt te zijn na het protest tegen de Ausbürgerung van Wolf Biermann. Maar diezelfde ironie is er ook de oorzaak van dat 'Vierzig Jahre' op een merkwaardige manier leeg lijkt. Voortdurend maskeert de auteur zijn gevoelens, alsof de Stasi nog steeds voor zijn voordeur staat. De ironische afstand die hij tot zijn on-derwerp bewaart, maakt niet alleen zijn verhaal soms wat flets, maar laat ook in terugblik de DDR als één grote farce verschijnen. Nu kan dat inderdaad nauwelijks anders bij een staat die verdacht veel gelijkenis vertoonde met een wormstekige appel, en zich slechts in stand wist te houden door zijn anti-fascistische Schutzwall, leugens en intimidatie van de bevolking.

Infantilisering en passiviteit waren het gevolg van die dressuur met Zukerbrot und Peitsche, zoals de Oost-Duitse psychoanalyticus Hans-Joachim Maaz al kort na de Wende vaststelde in zijn studie 'Der Gefühlsstau' (1990). De Bruyn, die in feite dezelfde visie huldigt, doet echter zichzelf en anderen onrecht aan door - uit schaamte? - zijn eigen, langzame groei naar soevereiniteit en de wijdverbreide lankmoedigheid tot mikpunt van spottende kritiek te maken. Deze houding lijkt vooral te berusten op een gedeeltelijke ontkenning van de realiteit van vóór 1989, die weliswaar grotesk maar allesbehalve lachwekkend was. En wie had kunnen vermoeden dat het zo snel afgelopen zou zijn met de eerste Duitse Arbeiter- und Bauernstaat? Het dichtst bij de geleefde werkelijkheid lijkt De Bruyn te komen als hij zijn leven in de jaren vijftig en zestig schetst. Hier verschijnt hij als de kritisch observerende, maar wat onzekere buitenstaander die hij eigenlijk altijd zou blijven. Kleurrijk beschrijft hij zijn opleidingstijd als bibliothecaris en zijn vriendschap met de prettig gestoorde Herbert, een querulant pur sang, die wegens een vluchtpoging voor een jaar in de cel belandde en later zelfmoord zou plegen.

Deze passages behoren met de evocaties van het naoorlogse Berlijn tot de levendigste van 'Vierzig Jahre', De Bruyns Lebensbericht, dat verschijnt als een ode aan het levensmotto van zijn moeder: 'Schlimmer kommen können hütte es auch'.

mailIcon print |