*

 

Vleesgeworden nihilisme wekt ergernis maar ook mededogen

ONNO BLOM − 10/11/95, 00:00

recensie Joris Moens: Zondagskind. De Bezige Bij, Amsterdam; 190 blz. - ¿ 32,50.

Zijn slome held is een 'zondagskind', dat elke dag leeft alsof het de zevende dag is en uitrust voor eeuwigheid. Deze instelling komt tot uiting in het debiteren van holle filosofieën en in terloopse, lusteloze constateringen: 'Gapend veeg ik mijn gat af'. Deze anti-burgelijke, decadente commen-taren zijn nu juist niet specifiek van deze tijd. Moens is zich daar ook van bewust, getuige zijn verhuizingen naar uiteenlopende literaire personages als de futloze Janneman Robinson uit 'Winnie the Pooh' en de wereldvreemde Prins Salina uit Di Lampedusa's 'Il gattopardo'.

Evenals zij leeft het 'zondagskind' niet uit onmacht buiten de sociale samenleving, maar uit onwil. Talent heeft hij in overvloed. Dat uitte zich in zijn jeugd, bij de junioren van Ajax, waar hij niettemin werd weggestuurd. Bovendien manifesteert het zich in zijn co-assistent-schap in een ziekenhuis. Met schijnbaar gemak en met 'betrokkenheid zonder medelijden' loopt hij op de afdeling rond. Toch gooit hij ook daar het bijltje erbij neer. 'Aan het hechten en knopen hield ik een handige manier van vuilniszakken dichtmaken over. Maar daar is alles wel mee gezegd.'

Het belangrijkste symbool van zijn vrijwillig gekozen apathie is zijn verloren geliefde Büsra. Met haar is hij zes jaar lang 'tevreden' geweest: “Het was mij best. Zolang we elkaar maar de oren van het hoofd neukten”. Uiteindelijk voelden zij zich als twee baby's in de baarmoeder, die ze niet zonder de dood van een van de twee konden verlaten. Om het eigen vege lijf te redden draait hij daarom zijn liefde de nek om. Nihilisme kent geen happy end.

De spanning van een plot mist de roman; ze moet zo mogelijk worden gehaald uit de verstoorde verhouding tussen het gevoel en het verstand van de hoofdpersoon. Joris Moens beschrijft die tegendraadsheid met veel bravoure en wekt daarmee beurtelings ergernis en mededogen. Ook al probeert zijn anti-held er alles aan te doen juist dat laatste te vermijden: 'Ik leefde meer in mijn hoofd dan in de werkelijkheid. Je kan ook zeggen dat ik een dooie lul was.'

mailIcon print |