recensie “Er is meer in ons bewustzijn dan het bewustzijn van onszelf. Dat kan ons verleden zijn, in de vorm van tradities, of ook in de vorm van het onbewuste. Zo ontsnapt ons onze geboorte en onze dood. Het kan ook het goddelijke zijn, dat zich in ons denken manifesteert.” De ethicus Frits de Lange over het religieus humanisme van de Franse filosoof Luc Ferry: “Zijn boek staat voor een vruchtbare bemiddelingspoging tussen een christendom dat eindelijk modern wil worden en een humanisme dat zich niet verschanst in 19e eeuws atheïsme.” Luc Ferry: L'homme-Dieu ou le Sens de la vie; Uitg Grasset. Dr. F. de Lange is hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen.
Na de val van de Muur is het geloof in de linkse revolutie voorgoed gedoofd. Het marxisme blijkt geen bron meer te zijn voor een Groot Verhaal. Wat blijft er dan over? Het liberalisme blijkt een schraal alternatief. Zijn vooruitgangsgeloof lijkt niet meer dan nog meer McDonald's voor nog meer managers. De Franse denkers zijn daarom cynisch geworden, en wars van politieke idealen. In hun ideologisch vacuüm lijken niet alleen de idealen van mei '68, maar zelfs die van de Franse Revolutie van 1789 ongeloofwaardig te worden. Is het leven niet lijden, en lijden we niet vooral aan het overtrokken geloof in onszelf? De verzuchtingen van de gedesillusioneerde humanist die wanhoopt aan zichzelf blijken wonderlijk genoeg die van de verlichte boeddhist te dekken. Waarom dan niet ook, met de boeddhist, concluderen dat ons Ik er ten slotte niet toe doet, en dat onze verlossing gelegen is in het inzicht dat we ons van ons Zelf moeten bevrijden? 'De deconstructie van onze subjectiviteit' lijkt een postmoderne term voor een leer die eigenlijk al 2500 jaar oud is. Beter is het nog om in het Niets te geloven, dan in de Mens.
Luc Ferry moet echter niets van deze recente flirt met het Oosten hebben. Voor deze filosoof (1951) is het humanisme geen illusie, zoals veel van zijn generatiegenoten in het spoor van Heidegger en Foucault beweerden, maar een roeping. Ferry profileert zich als het geweten van de Franse culturele erfenis. Die van Descartes, van de Verklaring van de Rechten van de Mens, maar ook die van Rousseau en Levinas.
Hij wil niet terzijde staan, als eeuwige criticaster, maar verantwoordelijkheid dragen voor de morele kwaliteit van de hedendaagse republiek. En blijkbaar doet hij dat met succes: hij heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot bestseller-auteur, die op handen wordt gedragen. Eindelijk iemand die zijn heil niet zoekt in de duistere Duitse ziel van Heidegger of Nietzsche, maar in het heldere licht van het eigen Franse verleden. Eindelijk ook weer eens iemand die zo schrijft dat een gewone Fransman het kan begrijpen. Kom daar bij denkers als Derrida en Lyotard maar eens om!
Ferry's succes begon met een boek over esthetica, waarin hij aan de ontwikkelingen in de opvatting over goede smaak laat zien hoe zich in het Westen gaandeweg een democratisch individualisme vestigt, waarbij de enkeling zich tot kunstenaar van zijn eigen leven maakt.
Hij vervolgde met een fillipica tegen de radicale ecologische beweging, die niet meer de mens, maar de boom of het dier als centrum van de moraal wenst te zien. Ferry wijst op de gevaren van een ecofascisme, dat zich uitgeeft voor Groen, maar eigenlijk Bruin denkt. En nu is dan er zijn L'homme-Dieu ou le Sens de la vie (Grasset), de filosofische bestseller van 1996.
Ferry begrijpt zijn pessimistische generatiegenoten: er is reden om somber te zijn over de toekomst van het humanisme. Het seculiere geloof in de mens blijkt slecht toegerust te zijn om het tanende religieuze geloof in God te vervangen. De wetenschap heeft de wereld onttoverd. De democratie heeft de politiek geseculariseerd. God heeft zich uit de natuur teruggetrokken.
Maar met het verdwijnen van het geloof in God neemt ook het geloof in de zin van het leven af. Het marxisme en het communisme waren, als seculiere ideologieën, zo aantrekkelijk, omdat ze nog steeds een religieuze structuur bezaten. Zij beleden in een transcendent Hiernamaals, de klassenloze heilsstaat, een zaak waarvoor men zijn leven kon geven. De strijd voor dit transcendente Goede, was tegelijk een strijd tegen een transcendent Kwaad: die van de bourgeoisie en het fascisme.
Met het verlies van deze laatste theologische visie op de politiek lijkt de democratie hoogstens een middel geworden om het hedonisme en individualisme mogelijk te maken. De burger sluit zich op in zijn privé-wereld, en stopt de vraag naar de zin van zijn bestaan af met nog meer consumptie of verstrooiing. Of hij stelt zich als hoogste doel de persoonlijke zelfontplooiing. Maar waar blijft het vuur voor de publieke zaak? Voor welke algemene waarden zetten moderne mensen zich nog gezamenlijk in? De publieke ruimte is een winderig winkelcentrum na sluitingstijd geworden.
De wetenschap kan veel en blijft de trots van de moderne wereld. Maar zij blijft zwijgen als het om de zinvraag gaat. Zij kan wel zeggen wat het leven behelst, maar niet waarom en waartoe we er zijn. De fiere atheïst heeft sterke argumenten tegen het blinde autoriteitsgeloof van vroegere tijden. Maar zijn heroïek wordt hol en leeg en klinkt zo 19de eeuws, als je hem vraagt waarvoor we dan moeten leven.
Het Franse woord 'Sens', dat Ferry in de titel van zijn boek met een hoofdletter schrijft, betekent zowel zin als richting. Maar in beide betekenissen is het een inhoudsloos woord geworden. De moderne samenleving is niet in staat de wereld de betovering te verlenen, die de godsdienst er vroeger wel aan gaf.
Ferry stelt zich ten doel deze radicaal ontgoddelijkte wereld opnieuw glans te verlenen. Niet door een kritiekloze terugkeer in de schoot van de autoritaire godsdienst, maar door nieuwe, onvermoede bronnen aan te boren in de erfenis van het humanisme zelf. 'Religieuze' bronnen, kan men ze zelfs noemen, als men hier goed op zijn woorden let.
Want Ferry wil onze Westerse cultuur op de drempel van de 21ste eeuw een soort dialectische sprong laten maken. De hegeliaanse these is hierbij het tradionele christendom, dat achter ons ligt: het blinde geloof in een goddelijke openbaring en een klakkeloze gehoorzaamheid aan het goddelijk gebod. Waarom geloven, waarom handelen? Omdat de kerk het zegt, punt uit. Eeuwenlang heeft een christelijk Europa zo gedacht, en nog steeds vindt deze opstelling zijn aanhangers in het Vaticaan. Ferry citeert uitputtend Johannes Paulus II en zijn recente encycliek Splendor Veritatis. Maar hoe 'schitterend' is deze 'waarheid' echter nog als men bedenkt dat zij zonodig lijnrecht tegen het geweten van mensen in haar gelijk moet halen? Zo wordt de doodstraf verdedigd met een beroep op het goddelijk gebod.
Neen, aldus Ferry, zo'n these vraagt om een anti-these, die niet God in het centrum van de wereld plaatst, maar de mens. Het humanisme heeft sinds Descartes het dogmatische geloof in autoriteiten afgezworen, en gelooft alleen in de evidenties van de menselijke rede. Op basis daarvan verdedigde de Franse Revolutie de Rechten van de Mens. Terecht, meent de humanist Ferry. Maar hij plaatst een opmerkelijke kanttekening bij de mensopvatting die in de humanistische traditie veelal verdedigd wordt.
In plaats van een puberaal, koppig verzet tegen religiositeit als zodanig, probeert hij de oriëntatie op transcendente waarden die daaraan eigen is, los te koppelen van haar inbedding in het Godsgeloof en te integreren in de humanistische mensopvatting zelf. Zo komt Ferry ten slotte tot zijn synthese in wat hij als 'un humanisme transcendental' omschrijft. De idee dat het moderne verzet tegen externe autoriteiten, of dat nu het gezag van God of de traditie is, per definitie ook het verzet tegen waarden die ons te boven gaan zou behelzen, beschouwt Ferry als de vrucht van moderne kortzichtigheid.
De mensopvatting dat ons ik dan pas zichzelf is als het helemaal aanwezig is bij zichzelf, berust op een vergissing, die sinds Descartes het moderne denken bepaald heeft. Er is meer in ons bewustzijn dan het bewustzijn van onszelf. Dat kan ons verleden zijn, in de vorm van tradities, of ook in de vorm van het onbewuste. Zo ontsnapt ons onze geboorte en onze dood. Het kan ook het goddelijke zijn, dat zich in ons denken manifesteert. In ons woont wat ons vreemd is.
Het moderne denken draait om de mens, om zijn subjectiviteit, daarvoor staat het humanisme. Maar het is een misvatting om te denken dat die subjectiviteit in zichzelf gesloten zou zijn. Wij zijn aangewezen op, afhankelijk van dat wat ons overstijgt.
Het verschil tussen christendom en humanisme ligt in de verschillende plaats die beide aan transcendentie toekennen. Het humanisme erkent alleen een trancendentie achteraf, tegenover het autoriteitsgeloof vooraf van een dogmatische openbaringsleer, waaraan de mens zelf niet te pas komt.
Voor het humanisme is de vrijheid van mensen, waarmee zij beslissen of en aan welke transcendenties zij zich willen toewijden, beslissend. Dat is ook een - zo men wil religieus - geloofsartikel. Maar het is een geloof dat ingrijpend verschilt van de traditionele religie, doordat het niet God, maar de menselijke waardigheid als absoluut subject centraal stelt. Het evangelie van God-alleen (de these) is verstomd, het evangelie van de mens-alleen (de anti-these) ook; het wordt tijd voor de synthese, het evangelie van het goddelijke in de mens, l' homme-Dieu.
Zo probeert Ferry het humanisme open te breken en tot een volwassen houding tegenover religiositeit te brengen. Hij vindt daarbij niet alleen de Rooms-Katholieke orthodoxie tegenover zich, maar ook het positivisme van die wetenschappers, die alleen maar in de gegevenheden van de natuur, in de taal van de feiten geloven.
Ferry noemt zich daarentegen eerder een spiritualist, omdat hij het karakteristiek voor het mens-zijn acht dat mensen 'anti-natuurlijke wezens' zijn: zij zijn in staat om nee te zeggen tegen hun bepaaldheden, zij hebben zelfs soms de keus om hun lot in eigen hand te nemen. Zijn spiritualisme doet hem spreken van de 'vergoddelijking van de mens'. Dat brengt hem dichter in de buurt van de 'vermenselijking van God' van Eugen Drewerman, dan bij de sociobiologen die de menselijke moraal nog proberen terug te leiden tot een genetische code.
Ook Drewerman wijst immers niet meer op de God buiten ons, maar op het goddelijke in ons, dat sluimert op de bodem van onze ziel. Deze theoloog is psychoanalyticus geworden, omdat hij in de gelaagdheid van ons onbewuste stuitte op machten die ons ontsnappen en ons onheil berokkenen als we niet met hen in het reine komen. Geen wonder dat hij op gespannen voet staat met het Vaticaan, die deze wending naar de mens, dit religieuze humanisme niet kan en wil meemaken. Maar voor de seculiere Ferry betekent hij een bondgenoot in zijn pleidooi voor menselijke transcendentie.
Mensen hebben meer in huis dan alleen de bezorgheid voor hun hachje, hun natje en hun droogje. Zij kennen een openheid voor meer, voor andere waarden dan alleen de waarde van hun eigen leven. Die waarden vinden ze in zichzelf. Dat kan ten goede en ten kwade uitpakken. Moeders hebben alles over voor hun kinderen, als het moet ten koste van hen zelf.
Ferry wijdt ook uit over de diabolische aspecten van het menselijk bestaan, de wreedheid die mensen elkaar kunnen aandoen. Voor het weldadige licht van menselijke liefde, maar ook voor het afgrondelijke donker van het kwaad zijn de in pasteltinten denkende humanist en de grijze wetenschapper meestal blind. Balzac had gelijk toen hij schreef dat de grootste list die de duivel ons heeft geflikt is, dat hij de illusie wekt dat hij niet bestaat. Noch engel, noch beest is de mens, schreef Pascal. Maar het eigene van het mens zijn berust nu juist in het feit dat hij beide vaak wel wil worden. Hij is met zijn leven alleen niet tevreden, hij wil meer. Hier stuiten we op de sacrale dimensie van het menszijn.
Waarom sacraal? De woordverwantschap tussen het heilige (le sacré) en het offer (le sacrifice) is voor Ferry veelbetekenend. Heilig is de mens als hij zijn leven offert voor een zaak die groter is dan hijzelf. In de toewijding aan waarden die de waarde van het eigen leven overstijgen manifesteert een mens zijn sacraliteit. Waarom noemen we iemand als Moeder Teresa een heilige, waarom bewonderen we Abbé Pierre zo? Omdat zij de zin van hun leven ontlenen aan de dienst aan anderen.
Wij zijn voor dit soort zelfopoffering nogal huiverig geworden. Te veel en te vaak hebben mensen zichzelf voor verkeerde zaken opgeofferd. Niet alleen voor God, maar ook voor de Duivel. Voor de Revolutie en voor het Vaderland. Veel te vaak zijn mensen ook door anderen gedwongen zich op te offeren. Voor hun Man, voor de Kerk. Er is zoveel ellende onder de dekmantel van het offer bedreven, dat we liever maar helemaal van dat woord afzien. Ten onrechte, aldus Ferry, een mens is nu eenmaal meer dan zichzelf en dat moeten we niet willen ontkennen. Onze meerwaarde berust juist in het feit dat wij onszelf in dienst kunnen stellen van andere waarden, die wij hoger achten dan onszelf. Dat formele, 'religieuze' wezenskenmerk van ons mens zijn moeten we willen erkennen, ook al zijn we terecht zeer kritisch geworden over de concrete waarden waarmee we er inhoud aan geven. Zin heeft een mensenleven pas, als het zichzelf overstijgt in toewijding.
Maar waaraan dan wel? In mogelijke kandidaat-waarden voor opoffering en dienst heeft het moderne humanisme grondig opruiming gehouden. God valt voor veel mensen af, maar ook abstracties als het Vaderland of de Revolutie doen niet meer mee. En terecht, aldus Ferry. De enige waarde die overblijft is de mens zelf. Mensenliefde is de enige transcendente waarde die het offer - mits gebracht in volstrekte vrijheid! - kan rechtvaardigen. Het clichématige woord liefde heeft jammergenoeg veel van zijn glans verloren, omdat het zoveel misbruikt is. Maar de zaak waarvoor het staat is eigenlijk nog niet eens zo oud: de sympathie tussen mensen, louter en alleen omdat men mens is.
Ferry schaamt zich er niet voor die term opnieuw op te poetsen, omdat hij de publieke arena niet leeg wenst te laten, de politiek niet door cynisme en machtsdenken, de moraal niet door welbegrepen eigenbelang wil laten bepalen. Een rechtvaardige samenleving kan alleen uit de mensenliefde worden geboren.
Een loze gedachte? Om zijn betoog te staven wijst Ferry op een internationale macht in opkomst, die inspringt daar waar moderne politiek en kapitalisme in gebreke blijven, en zo zijn menselijke superioriteit bewijst: de vele hulpverleningsorganisaties en charitatieve bewegingen die tegenwoordig wereldwijd opereren. Organisaties als Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis, die met de financiële steun van miljoenen mensen hun humanitaire acties uitvoeren, vormen voor Ferry de morele voorhoede van de 21ste eeuw. Naarmate nationale staten machtelozer worden, winnen zij veld.
Sinds 1970 is het aantal niet-regeringsgebonden organisaties met honderd vermenigvuldigd. Zij worden gerund door gedreven mensen die hun leven riskeren voor anderen en daaraan de zin van hun eigen leven ontlenen. Henri Dunant, die in 1863 op het slagveld in Solferino ontdekte dat soldaten buiten het slagveld geen soldaten meer zijn, maar mensen en daarop het Rode Kruis stichtte, is de nieuwe, niet-confessioneel gebonden heilige aan het worden.
Natuurlijk, mindere edele motieven spelen bij deze nieuwe humanitaire Internationale ook een rol. Maar desondanks vindt Ferry dat men deze seculiere charitas het voordeel van de twijfel moet gunnen. Meer nog: zij vormt voor hem een soort teken uit de humanistische hemel, dat de twee hoofdstellingen uit zijn boek ondersteunt.
Ten eerste, dat mensen zin aan hun leven geven door zich aan waarden toe te wijden die hun eigen leven te boven gaan. Zo riskeren de hulpverleners de dood en ze weten het. Ten tweede dat de mensenliefde de enige waarde is die uiteindelijk deze belangeloze toewijding verdient. Wat hen ook verder drijft, dit is op zijn minst het basismotief van humanitaire helpers.
De forse rol die Ferry aan de humanitaire bewegingen in zijn verhaal toekent, roept om kritisch commentaar. De recente gebeurtenissen in Zaïre bijvoorbeeld, waarbij hulpverleningsorganisaties in de vluchelingenkampen een verlengstuk werden van Hutu-extremisten, en zo als mensenredders de mensendoders te hulp kwamen, wijzen op de onvermijdbare verstrengeling van politieke, militaire en humanitaire belangen zodra men zich in concrete situaties inmengt. Is menselijkheid ooit wel los verkrijgbaar? Ook de cruciale rol die de media in de huidige charity business spelen, krijgt bij Ferry te weinig kritische aandacht. Humanitaire aandacht is een kwestie van kijkcijfers en zendtijd. De barmhartige Samaritaan reist niet meer alleen; over zijn schouders zoemen de camera's van CNN of zijn concurrenten.
Desondanks verdient Ferry's betoog waardering. Zijn boek staat voor een vruchtbare bemiddelingspoging tussen een christendom dat eindelijk modern wil worden en een humanisme dat zich niet verschanst in 19e eeuws atheïsme. Wellicht maakt Ferry daarbij het christendom te humanistisch (het moet daar wel om God blijven draaien, denk ik) en het humanisme te religieus. Maar hoe dan ook, de Franse toon die hij aanslaat is een welkome afwisseling op de scherpschutterstaal die bij ons in het verzuilde debat tussen humanisten en christenen vaak wordt gebezigd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.