*

 

Wetlands, de broodnodige vluchtheuvels voor trekvogels

HENK VAN HALM − 17/01/98, 00:00

recensie Jaren achtereen zag ik 's zomers in Botshol een woudaapje. Al jaren mis ik hem nu. Hij is blijkbaar dood, maar er kwam geen ander woudaapje voor in de plaats. Het gebied is nog steeds geschikt voor deze kleine reiger, maar er zijn er kennelijk te weinig in West-Europa om de opengevallen plek in te nemen. Als zomervogel trekt het woudaapje in de herfst weg naar de West-Afrikaanse moerasgebieden. Niemand weet wat daar met woudaapjes gebeurt.

De bescherming van vogels en hun leefgebieden is een internationale zaak. Vogels kennen geen grenzen. Vele trekken in de herfst van het noorden naar het zuiden en in het voorjaar in omgekeerde richting. Worden ze belaagd in hun broedgebied, dan is daarvan de weerslag te merken in hun winterkwartier. En omgekeerd.

Voor de overleving van een trekvogel moet zowel broedgebied als winterkwartier aan zijn specifieke eisen voldoen, met name wat voedsel en veiligheid betreft. Maar dat alleen is niet genoeg. Broed- en overwinteringsgebied liggen vaak vele honderden kilometers uit elkaar en die afstand is niet in een keer te overbruggen. Er zijn tussenstations nodig om op krachten te komen, weer energie op te doen voor de voortzetting van de reis. Zonder zulke tussenstations zouden langeafstandtrekkers hun eindbestemming nooit bereiken.

WATERRIJKE GEBIEDEN Veel van onze zomervogels zijn water- en moerasvogels. Voor hun voedsel en veiligheid hebben ze waterrijke gebieden nodig. Tegenwoordig worden die bij gebrek aan een beter woord wetlands genoemd. Er vallen moerassen, vennen en plassengebieden onder, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater dat bij eb niet dieper is dan zes meter.

Wetlands vind je over de hele wereld en overal zijn ze van levensbelang voor de vogelwereld. In ons waterrijke land hebben we nogal wat wet-lands. Er staan er vijfenzeventig beschreven in een boekje over belangrijke Nederlandse vogelgebieden, dat vorig jaar verscheen.* De Wadden, de Oostvaardersplassen, de randmeren en het Deltagebied vallen eronder, maar ook de vennen van Strabrechtse Heide, Dwingelderveld en Grote Peel en de Nieuwkoopse Plassen. Minstens twintig bedreigde en kwetsbare vogelsoorten zijn er als broedvogel van afhankelijk en miljoenen vogels op na-jaars- en voorjaarstrek kunnen niet zonder deze pleisterplaatsen.

OP WEG NAAR AFRIKA In de Oostvaardersplassen verzamelen zich eind augustus alle lepelaars, die in Noord-Nederland gebroed hebben, met hun vliegvlugge jongen. Met geheven wieken huppelen ze achter wegschietende stekelbaarsjes aan. De trek van andere vogels is dan al druk aan de gang. Troepen van honderden grutto's, kemphanen, watersnippen en kluten foerageren op de ondiepste plekken. Op hun trek naar de 's winters overstroomde delta van de Senegalrivier doen de lepelaars eerst de Moëze ten zuiden van Bretagne aan. Vervolgens pleisteren ze aan de Spaanse Rio de Guernica, de Baai van Santoña en de Marismas van de Guadalquivir. Via Ouad Sous en de Khniffis Lagune in Marokko en de Banque d'Arquin voor de kust van Mauretanië bereiken ze hun winterkwartieren.

In dezelfde wetlands pleisteren de strandlopers, die broeden in de toendragebieden van Noord-Rusland, op hun weg naar West-Afrika. In ons land verblijven ze een tijdlang in enorme zwermen op de uitgestrekte slikbanken in de Waddenzee. Drieteenstrandlopers broeden in de toendra's van Spitsbergen en Noord-Siberië en trekken langs de Europese kusten naar het zuiden. 's Winters blijven troepjes aan onze stranden, maar een veel groter deel trekt door naar het zuiden, tot de Congolese zeekusten. Een ongelooflijke prestatie van vogeltjes van amper musgrootte, die dat alleen kunnen volbrengen als ze onderweg genoeg pleisterplaatsen vinden, waar ze een paar dagen, weken of zelfs maanden kunnen blijven.

In de 's winters natte streken van Gambia, Senegal, Sierra Leone, Mali, Niger, Liberia, Ivoorkust, Ghana en Kameroen verblijven heel veel van onze water- en moerasvogels. Onze bruine kiekendieven bijvoorbeeld. De zomertaling overwintert in enorme zwermen in alle natte gebieden van Zuid-Mauretanië tot in Gabon. Net als het leeuwendeel van onze grutto's houden ze zich in de winter ook op in de rijstvelden van Senegal en Sierra Leone.

Bontbek-, kleine en zilverplevier overwinteren aan de Afrikaanse kusten van Senegal tot Gabon. De kleine plevier trekt ook naar de binnendelta van de Niger en naar het Tsjaadmeer.

WERELDWIJD BEDREIGD Ganzen en zwanen gaan niet zo ver zuidelijk. Ze broeden in het uiterste noorden van ons continent en hebben vooral ons land als overwinteringsgebied. Bij strenge vorst trekken ze hooguit wat verder naar het zuiden. Naar de Moëze bijvoorbeeld. Dat Franse wetland werd ternauwernood gered: plannen voor woningbouw konden worden verijdeld door het gebied aan te kopen met gelden die in Nederland door Vogelbescherming waren bijeengebracht.

Dit geval staat niet alleen. Wetlands worden wereldwijd bedreigd door inpoldering, vervuiling en industrie. Sommige wetlands hebben nu als nationaal park of reservaat een wettelijk beschermde status. Daar heeft de Wetlandsconferentie van Ramsar (Iran) in 1971 sterk toe bijgedragen. Daar werd voor het eerst de wereldwijde betekenis van waterrijke gebieden en de internationale verantwoordelijkheid van individuele staten daarin onderkend. Nu hebben negentig landen de Ramsar Conventie ondertekend en daarmee te kennen gegeven dat zij de wetlands binnen hun grenzen zullen beschermen. Een wereldwijd netwerk van vrijwillige WetlandWachten, die hun gebied door en door kennen, moet helpen de bescherming te verbeteren. Wereldwijd betekent dat er ook WetlandWachten zijn aan de Afrikaanse westkust, waar veel van onze zomervogels overwinteren.

WetlandWachten volgen positieve en negatieve ontwikkelingen in 'hun' gebied op de voet en rapporteren jaarlijks aan de coördinerende instellingen, in Nederland de samenwerkende organisaties Vogelbescherming en Wereldnatuurfonds. Bij acute bedreigingen slaat een WetlandWacht onmiddellijk alarm, zodat direct actie kan worden ondernomen.

ONZE EN HUN VOGELS Bij dit alles kun je de vraag stellen: Wat zijn onze vogels? Onze zomerbroedvogels overwinteren in Zuid-Europa en in Afrika. Het zijn dus evengoed hun vogels. De hier overwinterende, in Schotland broedende roodkeelduikers zijn evengoed Nederlandse als Schotse vogels.

Door alle aandacht van vogelbeschermers zou je kunnen denken dat wetlands hoofdzakelijk voor vogels van belang zijn. Minstens even belangrijk zijn wetlands voor amfibieën, reptielen, vissen en insecten, waaronder de libellen, die als bedreigde dierengroep steeds meer aandacht krijgen. En voor water-, oever- en moerasplanten, waaronder veel soorten steeds zeldzamer worden, om-dat de chemische samenstelling van het water door vervuiling ongeschikt is geworden.

NATUUR DEZE WEEK

Vanaf havenhoofden zijn op zee regelmatig zeekoeten te zien. Het zijn vooral jonge vogels, die vorig jaar het licht zagen in de kolonies aan de Engelse oostkust. Ze jagen onder water op vis. Ze duiken met een sprongetje, waarbij ze de vleugels, waarmee ze onder water vliegend zwemmen, boven water al uitspreiden. ù Papegaaiduikers zijn in de winter zeevogels, die zich alleen na storm soms vlak voor de kust laten zien. Ook dat zijn meestal jonge vogels. De bekende fraaie snavelkleuren krijgen papegaaiduikers pas in de broedtijd. ù Elk jaar vertoeven wel een paar grote burgemeesters in de vissershavens van IJmuiden en Scheveningen. Ze gedragen zich als zilvermeeuwen, maar zijn even groot als grote mantelmeeuwen en daarvan te onderscheiden door het op de grijze 'mantel' na helemaal witte verenkleed. In de winter hebben volwassen grote burgemeesters een sterk bruin gevlekte kop. ù Spreeuwen, heggemussen, winterkoningen, roodborsten en kool- en pimpelmezen zingen druk als de zon schijnt. ù In weerwil van hun naam kunnen ijsvogels slecht tegen vorst, die het water met hun voornaamste voedsel, kleine vissen, afsluit. Tot nu toe is deze winter gunstiger voor de exotisch gekleurde vogels dan de vorige winter. Veel ijsvogels, die aan beken in het oosten broeden, brengen de winter door in het westen op allerlei plekken, waar je ze 's zomers niet ziet. Ze verblijven graag aan het open blijvende water bij elektriciteitscentrales. ù Sinds 2 januari bungelen de groengele meeldraadkatjes aan de takken van een hazelaar in onze buurt. Ik kijk nog vergeefs uit naar de karmijnrode stampers van de vrouwelijke bloemen. De hazelaar in onze tuin zit zo vol met nog dichte katjes als ik nooit eerder heb meegemaakt. ù In tuinen in het zuiden des lands bloeien de eerste sneeuwklokjes - opmerkelijk vroeg. ù Madeliefje, straatgras, klein kruiskruid en tuinwolfsmelk bloeien dapper door.

mailIcon print |