recensie Hellema: Slotnotering uit Barnet. Querido, Amsterdam; 104 blz. - ¿ 27,50.
Hoe het ook zij, ik heb al in geen jaren een aforismenbundel onder ogen gehad en beroemde aforismen als 'Ik denk dus ik ben' of 'De mens is slechts een riet maar een denkend riet' lijken inmiddels van een haast gedateerd aandoende eenvoud.
Dat de schrijver Hellema (pseudoniem voor Alexander Bernard van Praag, geb. 1921) onder de titel 'Slotnotering uit Barnet' met een bundel vol aforismen, marginalia en kleine essaytjes aankomt is dan ook een verrassing, niet in de laatste plaats omdat men voor de publicatie van zulke gedachten toch haast automatisch een groot en wervend schrijverschap, als dat van Hermans of Mulisch vooronderstelt en niet dat van een veel minder aanzienlijk schrijver als Hellema.
Toch is het binnen het oeuvre van Hellema een minder grote verrassing want uit zijn romans en verhalenbundels (zoals 'Enige reizen dienden niet ter zake' en 'Een andere tamboer') kon men reeds zijn hang naar morele standpunten opmaken en zo'n moralistische inslag is onontbeerlijk voor aforismen en marginalia met enige zeggingskracht. Het past ook in Hellema's anti-esthetische literatuuropvatting, zijn sociaal engagement, dat hij zich nu onomwonden op levensbeschouwelijk terrein begeeft.
Een van de rechtvaardigingen voor het genre van het aforisme verwoordt hij zelf aldus: “Simplificaties kunnen veel verduidelijken” maar anderszins bekent hij ook: “Ik houd niet van dit genre. Je leest het zoals je chips of zoute pinda's eet, je kunt er niet mee ophouden - tot ze je tegenstaan.”
Een essentieel kenmerk van een geslaagd aforisme is dat je het niet moet hoeven uit te leggen; in de korte formulering ligt de hele waarheid opgeslagen. Wat dat betreft beantwoorden de genoemde voorbeelden aan hun opdracht.
Het karakteristieke van Hellema's wisecracks is dat ze niet in de eerste plaats willen vermaken of ontroeren maar dat ze bijna voortdurend ernstig zijn. Wie de hele bundel uitgelezen heeft weet onmiddellijk wat zo ongeveer Hellema's literaire en levensfilosofie is.
Doelloos estheticisme, literatuur om de literatuur zelve, marktgericht schrijven, Hellema moet er allemaal niks van weten: “Hij schrijft voor volwassen (erudiete en levenservaring-met-een-knipoog) mensen of hij schrijft niet, heeft hij zich voorgenomen. Een succesroman beschouwt hij als een mislukking, een bestseller zou een blamage zijn. De markt als graadmeter. Hij moet er niet aan denken”, aldus formuleert de auteur zelf zijn streven.
Hellema is een idealist van de oude stempel, een moralist die zijn bedoelingen niet wenst te verdoezelen: “Wat is erop tegen als de schrijver een moralist is? Wat zou hij anders moeten zijn?” en ook “Een wereld zonder taboes is een wereld zonder fatsoen.” Vandaar ook zijn voorkeur voor schrijvers met een sterk sociaal geweten, die spreekt uit de korte essayachtige stukken over schrijvers als George Orwell en de haast vergeten Engelse schrijver John Galsworthy, die hier een waardig eerherstel krijgt.
Hellema's scala aan onderwerpen is weliswaar breed maar toch vrijwel steeds gestuurd door één instantie: zijn geweten. Zo buigt hij zich over de onmenselijkheid van het kapitalisme, over het gevaar van historici die Hitlers jodenhaat beschouwen als een inbedding in de Europese geschiedenis, over Heinrich en Thomas Mann, waarbij hij de geëngageerde Heinrich duidelijk verkiest boven de burgerlijke Thomas, over een radicaal humanisme als antwoord op de God is dood-hypothese.
Veel van wat je bij hem leest valt op te vatten als een protest tegen de geest des tijds. Het meest uitgesproken en ook het meest controversieel is hij in zijn opvattingen over de Joodse geest. Herhaalde malen heeft hij het over het onbegrip van de christelijke denkers voor het 'Joodse denken', waardoor men niet alleen de joodse godsdienst maar bijvoorbeeld ook schrijvers als Kafka zou misvatten.
Hier ligt toch een probleem want afgezien van de discussie of er zoiets als een Joods denken bestaat, impliceert Hellema's opvatting toch ongemerkt dat het begrip van het Joodse denken voor het christelijke denken wél aanwezig zou zijn, waardoor er iets filosemitisch in zijn opmerkingen sluipt (en is filo-semitisme in wezen niet een zelfde soort uiting als anti-semitisme, namelijk van het verlangen het joodse volk af te zonderen?)
Dat een aforistische uitspraak ook wel eens letterlijk afgegrensd kan zijn, proef ik in de volgende gedachte: “Als het erop aankomt hun vijanden in te schatten, hebben joden altijd een grote mate van naïviteit getoond. het begin van de Palestijnse staat luidt het einde in van de joodse staat. Dit drama eindigt in een verschrikkelijke oorlog en een nieuwe diaspora.” Dat is natuurlijk een geldige, zij het ook niet erg populaire opinie, maar zo bondig samengevat gaat zij me toch wel iets te kort door de bocht.
Van sommige maximes van Hellema moet je trouwens toch vaststellen dat ze voornamelijk persoonlijke uitspraken over de wereld zijn. Daar is overigens niks op tegen want zo kom je tenminste achter de opvattingen van de spreker. Deze hier is een overtuigde moralist, een steeds zeldzamer wordende verschijning in de Nederlandse letteren. Dat alleen al maakt zijn one-liners en korte overpeinzingen de moeite van het lezen waard.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.