recensie Huub Beurskens: Iets zo eenvoudigs. Meulenhoff, Amsterdam; 88 blz. - ¿ 19,90.
Bij nader lezen blijkt de titel dan ook niet te slaan op de gedichten als zodanig, maar op iets vlinderachtigs en unieks dat Beurskens daarin hoopt te vangen. Misschien mag je dit 'iets' wel gewoon heel ouderwets 'schoonheid' noemen. Beurskens laat dit woord tenminste zowaar een keer vallen en plaatst er als kanttekening bij: “Schoonheid. Wie haar / ervaart wordt erdoor geboeid verlaten.” Deze paradox lijkt mij essentieel voor zijn poëzie: dat zij zich als gebiologeerd gekluisterd weet aan iets dat zich desondanks van haar verwijdert.
Beurskens heeft in zijn poëzie gaandeweg steeds meer plaats ingeruimd voor de uniciteit en dynamiek van het moment. Zo ook in zijn nieuwe bundel, in het bijzonder in het indrukwekkende, zestien pagina's tellende openings- en titelgedicht ervan. Het beschrijft in een bont mengsel van stijlen en genres (er staan zelfs prozafragmenten tussen) de droom- en gedachtenflarden van een in slaap-waaktoestand verkerende man. Uit een warreling van herinneringen en suggestieve beschouwingen maakt zich allengs het besef los dat niet het eeuwige, maar juist het tijdelijke, unieke en individuele de crux van het leven uitmaken: “Ik hou van juist / die ene / Annemieke / het welriekende / van een ruiker door haar / geschikt en in een vaas gezet.”
Na dit lyrische intermezzo vervolgt het gedicht met een curieus soort 'droomdenken'. In breed uitwaaierende volzinnen associeert de man door op het werk van de Franse impressionistische schilders Sisley en Monet. De laatste kwamen we in Beurskens' vorige bundel 'Aangod en de afmens' al tegen in de regels: “elk moment / is aan zich een ode, zie Monet, Claude, de oude, / de dode.” Feitelijk is dit meanderende gedicht één lange toelichting op en illustratie bij juist die paar regels.
Natuurlijk speelt het tragische besef van de onbereikbaarheid mee. Een door Monet geschilderd veldje met klaprozen geeft de man in zijn droom de volgende gedachten in: “bloedmooi bloeiend, velden vol, verschrikkelijk! // Je aan de rand ervan bevinden is gewaarworden dat / je eigenlijk niet telt. Er doorheen gaan is het uitoefenen van geweld. Er midden in staan het rond-/ om van je wijken zien van een veld onbereikbaarheden.”
Het gedicht haalt tegen een wonderlijk decor van wulpsheid en ernst nog veel meer overhoop en eindigt met het ontwaken van de man uit wat ten slotte een soort nachtmerrie geworden is. En dan wacht hem de troost van de geliefde: “en ze lacht en/ als dwarrelen van bladeren // iets zo eenvoudigs was dat.” Misschien moeten de soms al te grillige (gemakkelijke?) wendingen en het zo nu en dan wel erg nadrukkelijke commentaar als minpunten aangemerkt woren, maar het geheel maakt toch een voortreffelijke indruk.
Trouwens de hele bundel is mij goed bevallen. Het niveau mag wat minder constant zijn dan in de vorige bundel, maar er staan prachtige uitschieters in. 'In een klein berkenbos' bijvoorbeeld geeft op overtuigende wijze de stemmingswisselingen en gevoelens van onmacht weer van een zoon pal na de begrafenis van zijn vader. 'Bosangst' is een bacchantische groteske van een tegelijk onheilspellende en hupse soort zoals alleen Beurskens die kan schrijven. 'Ondine' legt het primaat van de vluchtigheid nog eens in woorden van 18-karaats barok voor ons vast. De eerste zin, flink op lengte, gaat zo:
Zoals het bos met zijn blaadjes beeft in wat om de blaadjes er de trillingen aan geeft,
zoals het bos met bosgeuren tussen zijn boslicht kleurende kleuren zweeft, een zich overal, in aldoor wisselende gestalten, tussen zijn stengels, stammen, takken in begeven is,
zoals het bos natuurlijk geen nimfen en saters heeft maar de saters en nimfen zijn wat het boszijn leeft,
zo is het water, of het nu tussen mossen ontspringt, over door een maan bekeken kiezelstenen rint of zich dost
met bladeren van de witte lelie (en vijverlopers schrijven daar onbezonnen zichzelf uitkringelende onzinnen tussenin),
zo is het water er een van ongrijpbare ongedurigheden, én geest én lijf en leden: Ondine!
Vergis ik mij of klinkt er in die 'onbezonnen zichzelf uitkringelende onzinnen' ook iets van zelfspot door jegens de eigen talige wijdlopigheden? Maar het is een meesterlijk gedicht en het eindigt in het besef dat ook wij mensen “zijn ongrijpbare ongedurigheden die maar wat gaan.” Dit ongrijpbare probeert Beurskens telkens te vatten, desnoods in een afdeling als 'Ontlastingen', waarin, de titel zegt het al, de bolus regeert. Dat secretie en discretie overigens uitstekend samen kunnen gaan bewijst het hierin opgenomen 'Lichtdrager licht me voor!', een sterk en gevoelvol gedicht ter nagedachtenis van Lucebert.
De laatste afdeling, 'O dit dat hoe', is niet de beste, maar interessant is wel dat het thema van het openingsgedicht hierin wordt hervat en gevarieerd. De bundel eindigt dan ook met een reeksje 'Klaprozen'. Hierin worden we weliswaar met de neus op 'ons eigen schamele verstrijken' gedrukt, maar tevens weet de poëzie het zo aan te leggen dat het de klaprozen voorwaar “een ogenblik behaagt in ons ik te zijn vervat.” Wat niet kon lukt op de valreep dus toch. Eventjes. Zo eenvoudig is dat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.