recensie Kurt Waldheim: Die Antwort. Amathea, Wien; 319 blz. - ¿ 45,90. Edi Keck e.a. (ed.): Die ersten 10 Jahre, Franz Vranitzky. D+R Verlag, Wien; 159 blz. - 248 OS.
Sindsdien lagen de rollen vast: terwijl Waldheim in de ogen van de wereld de boeman was, werd Vranitzky de vertegenwoordiger van het andere, het 'goede' Oostenrijk. Naar aanleiding van hun tienjarig jubileum verschenen twee boeken over de beide politici.
In zijn boek 'Die Antwort' gaat Waldheim voor het eerst uitvoerig in op de affaire rond zijn eigen persoon. Wat hij hiermee wil bereiken is tamelijk onduidelijk. “Ik weet dat ik mijn vrienden niet meer hoef te overtuigen en helaas veel van mijn tegenstanders niet meer kan overtuigen”, schrijft hij in het voorwoord. In één opzicht is zijn boek in elk geval volstrekt overbodig: nieuwe informatie of gezichtspunten bevat het nauwelijks. Wat het echter de moeite waard maakt, is dat het een onthutsende blik gunt in de persoonlijkheid van Waldheim.
In wezen bestaat 'Die Antwort' uit driehonderd pagina's zelfbeklag. Waldheim ziet zichzelf als het slachtoffer van een wereldwijd complot. Wanneer de New York Times kritisch over hem schrijft, is dat de schuld van het World Jewish Congress. Het feit dat verschillende Afrikaanse staten, maar ook Italië en Duitsland, ervan afzien om hem voor een staatsiebezoek uit te nodigen, is uitsluitend te wijten aan de 'Amerikaanse lobby'. Op zijn beurt is Washington weer uitgeleverd aan een 'almachtige Israël-lobby in het congres en daarbuiten'. Waldheim is zich er blijkbaar van bewust dat hij zich dicht in de buurt van het anti-semitisme begeeft. Hij verzuimt geen gelegenheid om te benadrukken dat mensen met wie hij op goede voet verkeert, van joodse afkomst zijn.
In zijn zelfwaardering gaat Waldheim nog verder. Zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog zou niet alleen begrijpelijk, maar ook moreel juist zijn. “Militaire gehoorzaamheid was diep in ons verworteld - nog meer echter de wetenschap dat men in de oorlog op zijn kameraden aangewezen is.” Nogal macaber is de manier waarop hij zijn eigen onwetendheid verontschuldigt: “Wij hebben het regime, waarvan wij wisten dat het over lijken ging, tot alles in staat geacht . . . Van massale vergassingen hebben wij echter niets geweten.”
Eigenlijk beseft Waldheim maar al te goed waarom de wereld iemand Richard von Weizsücker vergeeft en hemzelf niet: “Von Weizsücker heeft de fouten van het nationaal-socialistische verleden, waarin ook zijn eigen familie verstikt was, openlijk toegegeven.” Tot dat laatste is Waldheim niet bereid: “Waarvoor moet iemand zich verontschuldigen, die niets te verontschuldigen heeft, omdat noch zijn familie noch hijzelf ooit nationaal-socialisten waren?”
Een centrale vraag waarop hij het antwoord schuldig blijft, is wat eigenlijk het voordeel geweest is van zijn presidentschap. Per slot van rekening noemt hij talloze voorbeelden van de negatieve reacties die hij zowel in Oostenrijk als in het buitenland heeft opgeroepen. De vrees dat hij de Oostenrijkse economie zou schaden, zou volgens Waldheim 'duidelijk weerlegd' zijn. Nog geen pagina later vermeldt hij vol trots dat de weinige staatsiebezoeken die hij wél kon afleggen 'miljardenorders' tot gevolg hadden.
Natuurlijk heeft Waldheim niet helemaal ongelijk, wanneer hij vindt dat hij ten onrechte als 'nazi' bestempeld wordt of wanneer hij zijn tegenstanders van huichelarij beschuldigt. Aan de andere kant maakt zijn egocentrisch wereldbeeld het wel erg moeilijk om medelijden met hem te hebben. Waldheim neemt alleen waar wat in zijn straatje past. De kleinste successen - een staatsiebezoek aan Oman of het feit dat sommige politici überhaupt met hem praten - worden tot grote triomfen opgeblazen. Bij elke nederlaag zoekt hij de schuld meteen bij de anderen.
In veel opzichten vormt het boek over Vranitzky een schril contrast met dat van Waldheim. 'Die ersten 10 Jahre' bestaat uit bijdragen van twaalf zeer uiteenlopende persoonlijkheden, wat niet helemaal toevallig is. Waar Waldheim zijn verdedigers er aan hun haren bij moest slepen, kan Vranitzky het zich daarentegen permitteren om politieke 'tegenstanders' als Henry Kissinger of Herbert Krejci (voormalig voorzitter van de Oostenrijkse werkgevers) aan het woord te laten.
Levendiger dan de wat afgezaagde lofzangen van zijn partijgenoten zijn de teksten die door niet-politici zijn geschreven. De schilderes Kiki Kogelnik vertelt niet alleen over Vranitzky's aversie tegen paddestoelen, maar ook over zijn inzet voor experimentele kunstenaars. Theo Sommer, voormalig uitgever van Die Zeit, schrijft over Vranitzky's houding ten opzichte van het nieuwe Duitsland: “Hij is nooit bang geweest voor de hereniging.”
Twee successen van Vranitzky duiken telkens weer op: de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Unie en het afscheid van de socialistische dogma's. De rode draad door het boek is toch vooral Vranitzky's anti-fascistische instelling. “De naam Franz Vranitzky zal in de annalen van zijn land altijd aan het feit verbonden blijven, dat hij als eerste voor Oostenrijk medeverantwoordelijkheid accepteerde voor de misdaden tijdens het nationaal-socialisme”, zo formuleert de Israëlische journalist Ari Rath het.
De kanselier wordt geroemd vanwege zijn tegenstelling tot Waldheim en de distantiëring van Jörg Haider, de extreem-rechtse leider van de FP & Ouml;. “Af en toe heeft Oostenrijk een beschermengel. Men stelle zich voor wat er met dit land gebeurd zou zijn, wanneer Vranitzky niet, meteen nadat Haider tot voorzitter van de FP & Ouml; gekozen was, de coalitie met die partij doorbroken had”, meent kunstenaar André Heller.
Als beide boeken iets duidelijk maken dan is het wel dat enkele woorden een politieke carrière kunnen beslissen. Had Waldheim op het juiste moment de juiste verontschuldiging gevonden - iets waartoe hij blijkbaar nog altijd niet in staat is - dan had hij zijn loopbaan waarschijnlijk als een algemeen gerespecteerd staatsman kunnen beëindigen. En dan had de ster van Vranitzky nooit zo helder gestraald als zij nu doet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.