*

 

's Nachts in bed vraagt Ischa Meijer: 'Als ik één zeg, wat zeg jij dan?'

T. VAN DEEL − 20/02/98, 00:00

recensie Het is, zeg ik maar meteen, geen onverdeeld genoegen om het nieuwe boek van Connie Palmen te lezen. Het heet 'I.M.' en is bedoeld als een In Memoriam van Ischa Meijer. Van meet af aan is de ondertoon zo particulier dat de vraag rijst waarom dit alles aan het papier en aan ons wordt toevertrouwd. Het antwoord op die vraag is even eenvoudig als onbevredigend: het boek móest geschreven worden.

Al direct na het bericht van Meijers dood beseft Palmen dat alleen het schrijven van een boek over haar grote liefde haar uit de nu ontstane impasse kan helpen. Het schrijven als rouwproces dus, in hoofdzaak een therapeutische en in mindere mate een literaire aangelegenheid. Op de titelpagina wordt 'I.M.' dan ook niet als roman aangeduid.

In het boek staan overigens heel wat bespiegelingen over het verschil of de overeenkomst tussen fictie enerzijds en waarheid of werkelijkheid anderzijds. Dat is begrijpelijk, want Meijer laat geregeld blijken dat hij fictie wantrouwt, en dan moet Palmen in de slag om haar professie, het schrijven van fictie, tegenover hem te verdedigen. Bij voorbeeld zo: “De omschrijving van fictie als iets wat aan de werkelijkheid en de waarheid is tegengesteld deugt natuurlijk van geen kant. God, de liefde en zelfs de waarheid zelf zijn werkende ficties die ons leven, ons geluk, onze verhoudingen en ervaringen, dus onze werkelijkheid iedere minuut beïnvloeden.”

Toch moet de argwaan van Meijer, en het feit dat zij van zichzelf weet niets te kunnen verzinnen en geheel afhankelijk is van haar kennis en voorstellingsvermogen, er toe hebben bijgedragen dat dit boek zo dicht op de huid zit van wat zich tussen die twee heeft afgespeeld. Het lijkt dikwijls, hoe oprecht het zonder enige twijfel in zijn intenties is, geschreven als voer voor voyeurs. Ik wil helemaal niet weten dat Palmen en Meijer het, in de eerste alinea van 'I.M.', gelijktijdig in hun broek doen als zij elkaar op een zeker moment plotseling tegenkomen. Ik wil niet tientallen en tientallen malen, in lichte variatie weliswaar, lezen hoe verschrikkelijk, hoe angstaanjagend gelukkig ze met elkaar zijn.

“'Ik hou van je, Con,' zegt hij.

'Ik hou van je, Is,' zeg ik.'

Het probleem van het boek is dat Palmen en Meijer publieke figuren zijn en dat iedereen ze in hun rol als zodanig kent of meent te kennen. Ze behoren beiden tot het type van de 'theatralen', de entertainers en schreeuwlelijkers, en dat herkennen ze ook in elkaar. Ze herkennen trouwens veel meer nog in elkaar, eigenlijk alles, althans Palmen kan, met haar psychologiserende en filosofische instelling, veel verklaren en ook herkennen, en dat uitvoerig beargumenteren.

Er zit iets onmiskenbaar ijdels en kokets in de manier waarop zij haar inzichten uitdrukt, altijd met een stelligheid van 'ik heb dat altijd al geweten'. Het is dezelfde stelligheid waarmee zij, als zij Meijer voor het eerst ontmoet, in 'De Wetten' een opdracht schrijft: “Voor Ischa, die ik moest ontmoeten, dat wist ik.”

Op een zeker moment komt Marilyn Monroe ter sprake en typeert Palmen, die haar volgens Meijer prachtig kan imiteren, dat “ze alles wat er in de roem van haar gemaakt is, tegelijkertijd speelt en parodieert”. Wat deze opmerking precies betekent voor de twee belangrijkste personages van dit boek en hun optreden erin, laat zich raden, al moet worden toegegeven dat beiden via elkaar op zoek zijn naar de achtergronden en zelfs het wezen van hun gedrag.

Meijer complimenteert Palmen: “Er is niks wat je doet, dat ik niet bij je vind horen.” Palmen over Meijer: “Ik vind jou juist zo prachtig doorzichtig.” Of een bedankje van Palmen: “Ik zeg hem dat hij niet half weet hoe gelukkig ik word van dit soort opmerkingen, van zijn manier van kijken en analyseren en dat ik me zo door hem gekend voel.”

Beiden zijn het meest gelukkig als zij door de Verenigde Staten reizen, of rustig in een motel in Californië logeren, of in New York. Meijer kent het land en de plekken waar hij wil zijn, hij voelt zich er thuis. Hij werkt gewoon door aan zijn columns in Het Parool over 'De Dikke Man' en verwerkt er, zij het vervormd, hun belevenissen in. Palmen neemt in haar boek nogal wat tekst van Meijer op die betrekking heeft op wat zij beiden hebben meegemaakt.

Ook autobiografische passages worden geciteerd uit een boek in wording over Meijers jeugd, - zijn ouders lieten hem al op jeugdige leeftijd in de steek, iets dat hem heeft gestempeld tot de vluchtige, jagende, dwangmatig alles en iedereen verlatende man die hij was. Bij Palmen houdt hij het evenwel uit, al blijkt tussen de regels dat hij zijn gewoonte om vreend te gaan en hoeren te bezoeken niet kan laten (Palmen wil daar verder niet van op de hoogte gebracht worden) en kan zijn gezellige, feestelijke, amuserende en lieve kant aan bod komen.

Het zijn veelal Meijers geestige uitspraken die het boek redden van het dodelijk gepsychologiseer en gefilosofeer en het even dodelijk gejuich over deze alles maar dan ook alles vervullende liefde.

's Nachts in bed vraagt Meijer: “Als ik één zeg, wat zeg jij dan?” Palmen zegt niks. Hij vervolgt met: “Corinthiërs 13.” Dat is mooi, en heel wat intiemer dan voor de zoveelste keer “Ik hou zielsveel van jou”. Intimiteit, dat weet iedereen, drukt zich het best via een omweg uit. In 'I.M.' wordt veel te vaak de directe weg bewandeld, ook in de commentaren en analyses van elkaars meningen en gedragingen. Het boek is daardoor in het algemeen te expliciet.

In de loop van de jaren dringt zich de dood steeds meer op de voorgrond in hun gelukkige verbintenis. Eerst sterft Meijers moeder, vervolgens zijn vader, beiden had hij een leven lang niet meer gezien of gesproken; dan sterven Palmens onderbuurvrouw en de vader van haar aanstaande schoonzus. De wolken trekken samen en dan gebeurt het onverhoopte, Meijer krijgt een hartaanval en sterft.

Het verslag van de eerste dagen na zijn dood is in zeker opzicht hartverscheurend en vervuld van radeloosheid. Maar ook komen er weer allerlei dingen in ter sprake waar ik liever geen kennis van had willen nemen en die mijns inziens thuishoren in de intimiteit. Zoals de wijze waarop Palmen naast het dode en opgebaarde lichaam van Meijer gaat liggen en vaststelt dat hij weliswaar warm wordt, maar “niet meer zacht en levend. Niks geeft mee, zelfs zijn ballen niet. Ik lig hier al god weet hoe lang, zeker drie kwartier of zo, en ik wil niet dat mijn broer zich ongerust over me maakt, dat hij denkt dat ik mijzelf iets heb aangedaan. Alle windselen die ik heb losgehaald, knoop ik zo goed als ik kan weer dicht. Ze zijn helemaal doorweekt, ik probeer het, maar ik kan er niet eens zijn gezicht meer mee afdrogen.”

Het boek is in vergelijking met het vorige, 'De Vriendschap', niet bijster goed geschreven en bestaat uit heel veel korte scènes, soms maar van een paar regels, die steevast uitlopen op een eindzin in de trant van: “'Niet alles verandert,' zeg ik en hij slaat een arm om me heen en drukt me stevig tegen zijn borst.”

Soms zijn de beweringen onduidelijk of onbegrijpelijk: “Het is een weerspannigheid tussen geheimzinnigheid en openhartigheid” (?), “de verbijstering en bewondering voor de onvermoeibaarheid waarmee ik zijn wezen onderzoek” (de verbijstering voor?). Iets wordt 'aangekaart', iets valt 'best wel' mee, iets komt geen mens 'ten gehore'.

Wat zou er van een boek als in vertaling overblijven, en wat zouden lezers er van vinden die niet belemmerd worden door enigerlei kennis omtrent de hoofdpersonen, die in het boek natuurlijk steevast 'Connie' en 'Ischa' heten. Kan de tekst het zonder deze context stellen? Waar zijn de honderdduizend mensen op uit die de komende dagen, misschien weken een exemplaar van de eerste druk gaan bemachtigen, gehoorzamend aan de hype die het boek al op voorhand is? Ze willen, vrees ik, weten hoe het nou tussen die twee types toeging, ze verlangen geen literatuur, maar werkelijkheid. Ze worden helaas op hun wenken bediend.

mailIcon print |