*

 

Haraway gokt op de cyborg, half organisme, half techniek

ROB SCHOUTEN − 23/01/98, 00:00

recensie Dat de twintigste-eeuwse mens in de greep is geraakt van de technologie is op z'n zachtst gezegd een platitude. De kranten staan bol met berichten uit het technologisch universum, of het nu om het proces tegen de Una-bomber gaat die zijn afkeer van kapitalisme en technologie probeerde uit te drukken, over het mogelijk toekomstig klonen van mensen of over het briefgeheim op e-mailpost.

En zonder dat we het ons nog bewust zijn is ook ons eigen alledaagse leven er volstrekt van doordrongen geraakt, we surfen op Internet, de televisie staat 's avonds aan en we gaan ervan uit dat er water uit de kraan komt. De wetenschappelijke discipline die zich bezighoudt met het onmiskenbare verband tussen die technologische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende veranderingen in onze cultuur heet 'techniekfilosofie', een tak van denken die met name in de Verenigde Staten een flinke vlucht heeft genomen.

Europese denkers die zich met de invloed van de techniek op ons denken en handelen bezighielden, zoals Heidegger en Marcuse, bekommerden zich vooral om de historische en transcendente voorwaarden, de begrenzing van de technocultuur door normen en waarden. In Amerika heeft zich daarentegen een empirische school ontwikkeld die vooral kijkt naar de concrete effecten. Ze zijn niet bang voor de bedreigingen die van de technologie uitgaan maar onderzoeken op pragmatische wijze de perspectieven van de mens in een technologische wereld.

In 'Van stoommachine tot cyborg' introduceert Hans Achterhuis, hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de Universiteit Twente, samen met een aantal collega's zes Amerikaanse denkers, wier namen tot nu toe in Europa relatief onbekend bleven: Albert Borgmann, Hubert Dreyfus, Andrew Feenberg, Donna Haraway, Don Ihde en Langdon Winner. Overigens, erg treffend is de titel van het boek niet want ze suggereert een soort ontwikkelingsgeschiedenis van de technologie van de laat achttiende eeuw tot nu, terwijl de besproken auteurs zich voornamelijk bezighouden met de effecten van hedendaagse technologie.

Hoe ver de standpunten ondanks de gemeenschappelijke pragmatische benaderingen uit elkaar kunnen liggen blijkt wel als je bijvoorbeeld Borgmann en Haraway vergelijkt. Borgmanns denken is duidelijk conserverend. Hij verzet zich niet tegen technologische ontwikkelingen want daar hebben we nu eenmaal voor gekozen, maar hij probeert een gezonde betrekking van de mens tot de techniek te formuleren. Vandaar zijn pleidooi voor 'focale' bezigheden: hardlopen, eten, stadionbezoek, de hedendaagse variant van de oude huiselijke haard. Technologie dus als middel om de gemeenschapsviering te ondersteunen.

Haraway daarentegen gokt op de 'cyborg', de bionische mens van de toekomst, half techniek, half organisme. Die is minder ver weg dan we denken, als je je realiseert dat we al met pacemakers en contactlenzen rondlopen. Voor Haraway is de oude naturalistische wereld met haar evidente neiging tot discriminatie en machtsontplooiing de grote boosdoener. De grensvervagende cyborg is weliswaar een product van militarisme en kapitalisme maar mogelijk toch in staat een leefbare wereld voor wat nu nog de outsiders van ons bestaan zijn in te richten.

Het is duidelijk, Borgmann is de behoudende in het gezelschap, Haraway de emancipatorische denker. Overigens worden al deze Amerikaanse schrijvers ook op passende kritiek van hun inleiders getrakteerd. Zo vraagt René Munnik, die Haraway voorstelt, zich af of zo'n grensverwarrend wezen als de cyborg niet ook de grenzen tussen leven en dood vervaagt en mogelijk ernstig in gebreke blijft bij de creatie van die verhoopte nieuwe, niet-discriminerende, niet-machtsbeluste 'mens'.

De overige schrijvers huldigen minder extreme standpunten. Feenberg bijvoorbeeld beschrijft de onvruchtbare invloed van het oude dystopische denken (een dystopie is het tegendeel van een utopie, dus een ongewenste toekomstwereld) op het filosoferen over technologische ontwikkelingen. Niet de technologie zelf maar de maatschappelijke toepasbaarheid zal de ontwikkelingen in de toekomst bepalen.

Dreyfus trekt de effectiviteit van 'artificiële intelligentie' in twijfel. De menselijke geest werkt nu eenmaal niet als een computer, omdat ze naast mogelijk imiteerbare intelligentie ook nog over zoiets als gezond verstand, ervaring en intuïtie beschikt, die men een kunstmatig verstand nooit zal kunnen bijbrengen. Winner onderzoekt de politieke implicaties van de voortschrijdende technologie. Als voorbeeld voor de gevaren noemt hij de bruggen die architect Moses ontwierp over de weg naar de stranden van Long Island en die zo geconstrueerd zijn dat het openbaar vervoer met de minderbedeelde klasse er niet over kan passeren. “Het proces van technische verandering moet worden gedisciplineerd door de politieke wijsheid van het democratische denken”, waarschuwt hij.

Don Ihde ten slotte betoogt dat techniek nooit op zichzelf staat maar alleen in relatie tot mensen functioneert. Het wordt allemaal pas iets 'in gebruik'. Hij ontrafelt daarmee de vermeende loutere 'hardheid' van technologie maar dat maakt haar nog niet tot een 'zacht' product. Immers, technologieën bevatten ook impliciete gebruiksaanwijzingen die ons gebruik sturen. Zo beïnvloeden ze ons bijvoorbeeld door de dagelijkse uitwisseling van culturen waartoe ze ons in staat stellen. Door die 'pluriculturaliteit' wordt het steeds moeilijker voor de mens om beslissingen te nemen.

'Van stoommachines tot cyborg' geeft een aardig en kritisch inzicht in de vragen die het moderne denken over technologie en cultuur allemaal oproepen. Wie door het overigens soms hemeltergende proza heen weet te lezen krijgt genoeg ideeën en standpunten om het technologisch universum van morgen kritisch te betreden. En het staat allemaal gewoon in een boek en nog niet op een schijfje.

mailIcon print |