recensie Als historisch letterkundige heeft Herman Pleij, hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, de reputatie vooral naar de alledaagse geschiedenis te kijken: het leven van de gewone man, het middeleeuwse volksfeest, nationale gebruiken. De kermis van vroeger zegt meer over de geschiedenis dan het hooggestemde werk van renaissancedichters. Of meer? In ieder geval iets anders dan de 'grote' gebeurtenissen die vaak ons beeld van de geschiedenis bepalen.
Dat dit niet zomaar een gekozen standpunt is maar ook wezenlijk in zijn eigen karakter besloten ligt, blijkt wel uit het feit dat Pleij zich zelf ook graag tot het grote gemiddelde publiek richt, bijvoorbeeld door zijn medewerking aan Teleac-cursussen te verlenen. Hij is kortom het tegendeel van een elitair geleerde.
Naast zijn wetenschappelijke werkzaamheden, waarvan men intussen geen lage dunk moet hebben, beweegt hij zich dus ook op het lichtere terrein van de columnistiek. Hij deed dat in 'Het Nederlandse onbehagen' (1991), hij doet dat ook in het vervolg daarop 'Hollands welbehagen'. Kermerkend voor zijn ideeën is de 'gewoonheids'-gedachte. Nederlanders blinken volgens hem uit in het cultiveren van het gewone, in het kapittelen van alles wat naar het uitzonderlijke en bovenmodale riekt.
Dat is een toegespitste visie met een kern van waarheid, en vooral is het een standpunt dat leuke, herkenbare stukjes oplevert. In zijn inleiding bij 'Hollands welbehagen' geeft Pleij aan dat onze collectieve mentaliteit wortelt in de geschiedenis: “Wonen en leven in een moerasdelta veronderstelt de aanmaak van een eigen overlevingspakket. En dat is vooral gegroeid uit de gelijkheidsverbeelding, een uitdrukking die tegelijk een woord bevat dat alleen in het Nederlands ook zoiets als 'arrogantie' betekent: wat verbeeld je je wel? Horen we niet allemaal volstrekt gelijk te zijn? Nou dan. Overigens wil dat helemaal niet zeggen dat we ons erg gelijk aan elkaar voelen. Eerder het tegendeel. Toch is het handig voor de dagelijkse omgang om net te doen alsof dat wel zo is.”
Intussen gaat het hem hier niet om een historische schets van de groei van onze nationale eigenaardigheden en eigenlijk is de geschiedenis, op een paar uitzonderingen na, opvallend afwezig. Eerder probeert hij de uitwassen ervan in onze tijd in beeld te brengen: het uitzinnig vieren van nationale sportsuccessen, de gelijkheidscultus in het schaatsen, onze kunst van het gedogen, de ware vertegenwoordigers van onze cultuur: Kniertje en Marco Borsato.
Pleij onderkent wel de ridicule kantjes van die vermeende collectieve mentaliteit: “Maar dat dubieuze en zeker niet ongevaarlijke aanscherpen en exploiteren van een oranje wij-gevoel heeft toch ook voordelen, die wellicht de evidente nadelen overtreffen. Voorwaarde is wel dat we ernaar moeten streven om de oranje-explosies te blijven koppelen aan vaderlandse sportprestaties en de nationaal verheven oubolligheden van de non-events.” Zolang het, kortom, maar een beetje huiselijk blijft.
En op die toon spreekt hij ons ook toe; hij klinkt zelf als het onvervalste product van het merkwaardige moerasvolk dat hij ons voorschotelt, een beetje gispend hier en daar, wat ironisch, maar ten slotte tevreden: “Wat een heerlijk land om in te leven! Wij houden niet van schreeuwerige idealisten, barricadebestormers, principiële gelijkhebbers en andere eenzijdig bevlogenen.”
Van echte cultuurkritiek kan in een boek met de titel 'Hollands welbehagen' dan ook geen sprake zijn, hoogstens van wat scepsis, en verder veel plezier in de eigen aardigheden. Pleij reproduceert als het ware wat wij van onszelf vinden en graag willen vinden. En reproduceren is dan ook precies waarin wij volgens hem uitblinken. In het hoofdstuk 'Doofstommencultuur' legt hij uit dat we niet kunnen zingen en toneelspelen en dat we eigenlijk vinden dat echte kunstenaars maar aanstellers zijn. Reproduceren kunnen we daarentegen als de besten, vandaar de bloei van onze schilderkunst. En steeds voel je bij zulke boutades dat hij 'al dat Hollandse amateurisme vol mateloze eigendunk' wel aardig vindt.
Naast een aantal stukken over onze collectieve eigenaardigheden staan er ook meer anekdotisch getinte hoofdstukken in 'Hollands welbehagen', over het eigen sportverleden bij een Hilversumse voetbalclub, zijn wisselende ervaringen in het onderwijs dat in ons land om de vijf, tien jaar weer hervormd wordt. Pleij's stijl daarbij is geleerd studentikoos, precies volgens de sjablone die denkende wezens in modale gezelschappen graag hanteren. Dat gaat als volgt: “Maar ik voetbalde, waardoor ik vanaf mijn zestiende in beide milieus op zijn zachtst gezegd enigszins detoneerde. Bij mijn voetbalkameraden werd ik onveranderlijk met 'professor' aangesproken. Dat was beslist niet vleiend bedoeld, maar gaf eerder aan dat ik gebukt moest gaan onder een lichamelijk defect dat deze keer zelfs het brein had aangetast.” De leuke formulering verraadt zijn poging om zich met behoud van eigenwaarde in het alledaags milieu te handhaven.
Eigenlijk is 'Hollands welbehagen' voer voor psychologen. Hoe voelt en gedraagt iemand met kennis van zaken en inzicht in de volksmentaliteit zich in het milieu dat hem bepaald heeft. Herman Pleij gebruikt een heel moerasvolk om ten slotte toch vooral zichzelf in kaart te brengen. Het is een grappig en doorzichtig soort bescheiden ijdelheid die hij zelf ook wel doorheeft maar waaraan hij ook niet kan of wil ontkomen. Typisch Hollands.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.