*

 

Hebzucht en ontevredenheid voeren Hélène en Van Tuyll naar de ondergang

TON VAN DEEL − 07/02/97, 00:00

recensie P. A. Daum: Verzamelde romans. Deel 1. Uit de suiker in de tabak. Hoe hij Raad van Indië werd. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam; 659 blz. - ¿ 69,90 bij intekening op drie delen tot 1 mei, anders ¿ 80. Gerard Termorshuizen (red.): Rondom Daum. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam; 136 blz. - ¿24,90 (gratis bij intekening).

Begin 1879 ging Daum in Indië als redacteur werken bij het bekende dagblad 'De Locomotief', uit Semarang. Hij werd er binnen het jaar hoofdredacteur, maar kreeg ruzie met zijn werkgever en kocht toen in 1883 het dagblad 'Het Indisch Vaderland' op. Onder zijn leiding beleefde deze krant een bloeiperiode en dat zal behalve aan de talloze, scherpe en kritische artikelen die hij schreef, niet in de laatste plaats gelegen hebben aan de feuilletons die Daum onder het pseudoniem 'Maurits' bijdroeg.

Deze feuilletons en de latere die hij nog voor andere kranten zou schrijven, vormen tezamen de Indische romans van P. A. Daum, tien in getal. Ze werden in hun tijd, in de krant en ook in boekvorm, opgemerkt en zeer gewaardeerd, maar na het vroegtijdig overlijden van de schrijver, hij was nog geen vijftig, raakte zijn oeuvre snel in de vergetelheid. Dat wij nu Daum nog kennen en lezen, is allereerst te danken aan Du Perron en Ter Braak, die hem in de jaren dertig herontdekten als een van de grote schrijvers in de spreektaal-traditie (te vergelijken met Elsschot, Nescio). In de jaren zeventig en volgende maakten Rob Nieuwenhuys en Gerard Termorshuizen veel propaganda voor Daum en werden zijn romans herdrukt. Termorshuizen schreef vervolgens een aanstekelijk proefschrift over de bewonderde auteur: 'P. A. Daum. Journalist en romancier van tempo doeloe' (1988).

Daarmee was Daum definitief gecanoniseerd en lag de weg vrij voor een mooie verzameluitgave. Het eerste deel van die 'Verzamelde romans' is nu verschenen en het bevat de vroege romans 'Uit de suiker in de tabak' (1883-1884) en 'Hoe hij Raad van Indië werd' (1884-1885). De jaartallen zijn die van het feuilleton, de boeken kwamen iets later uit. Literair-historisch gezien is het bijzondere van Daums eerstelingen dat zij de vroegste voorbeelden zijn van naturalistisch proza in het Nederlands. Het negentiende-eeuwse idealistisch realisme kwam in het begin van de jaren tachtig onder druk te staan van het naturalisme van Zola, waarin idealisering en moralisme niet meer aan de orde waren.

In het verre Indië werd ook Daum met Zola en diens ideeën geconfronteerd, dat blijkt uit wat hij, nog voor hij aan zijn feuilletons begon, over de geruchtmakende Franse schrijver opmerkte. Hij verweet hem een gebrek aan ervaring met de verschillende beschreven levensgebieden, waardoor zijn romans aan geloofwaardigheid en aan waarheid inboeten. “Bekendheid, persoonlijke bekendheid met individuen en toestanden van de soort welke men handelend wil doen optreden of weergeven wil, wordt gevorderd, men moet tonelen, van de soort welke men wil beschrijven, hebben bijgewoond; wat men weergeeft moeten, in beginsel althans, afdrukken zijn van zelf ontvangen indrukken. Wél kan men door studie komen tot completering van een geheel, maar voor de grote trekken is ervaring onmisbaar.”

Dat is een programma, achteraf bezien. Het is karakteristiek voor de schrijver Daum en het verklaart ook waarom zijn Indische romans destijds, en tot op de dag van vandaag, zo'n werkelijkheidsgetrouwe en levendige indruk maken. Daum had als journalist een scherpe blik en een stijl van schrijven ontwikkeld, die zo direct en duidelijk mogelijk was. Daarvan profiteerden zijn romans, die in tegenstelling tot wat in Nederland aan naturalistisch proza ontstond, absoluut vrij waren van enigerlei vorm van woordkunst of mooischrijverij. Het overdreven en impressionistisch schilderen met woorden, zoals de Tachtigers zich wel veroorloofden, was Daum een gruwel, hij zag daar niets in. Wat zijn standpunt inzake kunst en leven was, blijkt overduidelijk uit het zelfverzekerde woord vooraf van 'Uit de suiker in de tabak':

“Het (boek) is voortgekomen uit afkeer van de conventionele kostschoolliteratuur, die het romanlezend publiek wordt voorgezet; uit ontevredenheid over al het onware in de schildering van personen en toestanden; uit spijt, dat elk man, die het leven meeleeft, het recht heeft te zeggen, dat hij onze romans niet lezen kan.

Dit boek wijkt dus af van de typisch romantische sleur.

Het zal dus ergernis geven.

Veel ergernis zelfs, want er worden dingen in gezegd, die men gewoonlijk verzwijgt.

't Zij zo.'

Zijn eerste roman mag dan hier en daar in de beschrijvingen of woordkeus nog wel eens herinneren aan oudere schrijfwijzen, over het algemeen is de toon nieuw, ter zake, ironisch. Het is een toon die niet wil beleren, maar kritisch wil doorlichten. Een alwetende, echt negentiende-eeuwse verteller, die lesjes zal trekken uit het verhaal, ontbreekt nagenoeg. De menselijke psyche krijgt bij de ware verteller die Daum is evenwel geen diepgaande behandeling, zoals bij Couperus, en dat geeft verschillende personages wel iets karikaturaals. Maar hun egoïsme, hardvochtigheid, liefdeloosheid, hun gebrek aan inzicht in zichzelf, hun kwaadsprekerij, al die niet speciaal Indische, maar wel blijkbaar door Indië bevorderde eigenschappen komen bij Daum aan het licht.

De Nederlanders die naar Indië gaan, zoals James van Tuyll in 'Uit de suiker in de tabak', doen dat om puur materialistische redenen: zoveel mogelijk zien te verdienen in zo kort mogelijke tijd en met dat fortuin terug naar Europa. De roman is, zoals Daums meeste romans, het verhaal van een carrière in de tropen. Van Tuyll begint er zonder ook maar iets te begrijpen van hoe de Indische wereld in elkaar steekt en hij maakt dan ook een zeer moeilijke tijd door in het verstikkende netwerk van roddel en achterklap. Hij wordt zelfs enkele keren bijna vermoord. Daum, als een geroutineerde feuilletonist, smukt de geschiedenis van Van Tuyll op met allerlei personages en lokale details, het verhaal vertelt hij met vaart, veel vaart zelfs.

Zo kan van het ene moment op het andere Van Tuyll eerst nog wanhopig smachten naar de hand van Hélène en vervolgens al met haar getrouwd zijn. Blijkbaar is het Daum veel meer te doen geweest om de beschrijving van het huwelijk, en de onafwendbare verwijdering van elkaar, want daarmee staan allerlei maatschappelijke omstandigheden in verband. De dubbele moraal bijvoorbeeld, die Van Tuyll ingeeft dat hij als man wel, maar Hélène als zijn vrouw voor geen prijs vreemd mag gaan. Met de reacties van Hélène op de overspeligheid van haar man maakt Daum duidelijk dat hij aan de kant van de vrouwenemancipatie staat.

Niet dat Hélène nu zo'n aardige, sterke vrouw is, integendeel, zij is net als Van Tuyll een allesbehalve mooi karakter. Hebzucht, en ontevredenheid over het bestaan zoals ze dat leiden, voert beiden naar de ondergang. De overstap van de suiker naar de tabak, een lucratieve naar algemeen vermoeden, blijkt uiteindelijk fataal als er een 'ethische' resident komt, die zich meer om het lot van de inlanders bekommert dan om de bevoordeling van de kolonialen.

Daums oeuvre leert ons veel over de Indische samenleving van destijds en over de rol die met name de Europeanen daarin speelden. Maar ook laat het zien hoe zwak en gecorrumpeerd, hoezeer geneigd tot alle kwaad de mensen zijn, en hoe moeilijk het is om lief te hebben, onkreukbaar te zijn, niet poenerig en hypocriet. In Daums wereld is bijna niemand tegen de inwerking van die gecompliceerde samenleving bestand.

mailIcon print |