*

 

De ambivalentie van Marian Pankowski

CHRISTEL JANSEN − 06/02/98, 00:00

recensie De Pools-Belgische auteur Marian Pankowski (1919) is alleen bekend bij een selecte groep lezers. Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz wijt dat aan diens pornografisch taalgebruik en cynisme. Volgens Alain van Crugten, die het nawoord schreef bij 'De les van Simone en andere verhalen, komt dat door de ambivalentie van Pankowski, een gevolg van zijn ballingschap. Want: “Elke ballingschap is verscheurdheid (. . .) een amputatie van de persoonlijkheid.”

Feit is dat de verhalen van Pankowski getekend worden door tegenstellingen: de onbekommerde jeugd tegenover de door bittere ervaringen getekende ouderdom; individuele vrijheid in botsing met de humanistische moraal; erotiek tegenover preutsheid. Maar het meest duidelijk uiten de verschillen zich in het taalgebruik van Pankowski, die niet schuwt om zijn bloemrijke poëtische verhalen te larderen met platvloerse schuttingtaal.

In alle verhalen in 'De les van Simone' is een professor van een jaar of zeventig de verteller. Hij is weliswaar niet helemaal het alter ego van de auteur, maar wel een personage waarin veel autobiografische elementen zijn verwerkt. In de Tweede Wereldoorlog werd Pankowski gearresteerd, als lid van het Poolse verzet, hij bracht jarenlang door in concentratiekampen, vluchtte na de oorlog naar België, alwaar hij hoogleraar Slavische taal en letterkunde werd.

In veel van zijn verhalen blijft de kampervaring zich nadrukkelijk opdringen. In 'De lift' vertelt een vrouw met wie de zeventigjarige genoeglijk dineert over de nacht die ze ooit in een lift heeft vastgezeten. De man wordt woedend, tot hij beseft dat hij niet elke ervaring mag relateren aan zijn eigen kampervaring: “Ieder heeft immers het recht/ om op zijn manier/ de menselijke duisternis/ met de ander te bevolken.”

Vele verhalen volgen eenzelfde procédé. De hoofdpersoon is op zoek naar (vaak) vrouwen uit zijn verleden. In 'Lida' heeft de man een afspraak met een vrouw die hij vijfendertig jaar niet heeft gezien. En net als toen is lust voor hem de enige drijfveer achter dit rendez-vous ('Ik zie dat het wijfje ontdooit'). Lida moet er niets van weten: “Je hebt me laten schransen als 'n dienstmeid, je hebt me dronken gevoerd, en nu naar 't hotel voor 'n herdersuurtje?!”

In 'De taxi van Krakow' reist de hoofdpersoon af naar Krakow, naar een geliefde van een halve eeuw terug. Afgewezen strandt hij in een stationsrestauratie, waar hij zich met een taxichauffeur op onvervalst Poolse wijze bedrinkt. De verhalen beginnen poëtisch, zijn soms licht van toon, vaak weemoedig. Tot blijkt dat de lusten van de ik-persoon niet bevredigd zullen worden, dan volgt een enorme weerzinwekkende tirade van vulgaire geilheid en begeerte ('Wat denk je wel dat ik voor mafkees ben, stomme hoer. . .'). Ondanks deze bittere bijsmaak, blijft de poëzie van de herinnering - soms teder soms wreed - de boventoon voeren.

Pankowski is een taalkunstenaar bij uitstek, die met een groot gemak verschillende stijlregisters opentrekt, naast elkaar plaatst en daarmee tegenstrijdige effecten weet op te roepen. En dat maakt zijn werk ambivalent. Het is de ambivalentie van een balling die zich meer Pool blijft voelen dan Belg, van een man op leeftijd die worstelt met een donker kampverleden, van een man ook die zichzelf en zijn ouderdom, met humor en cynisme beschouwt.

“Ik knik”, schrijft hij in 'Vakantie. . . Vakantie. . .', in gesprek met een leeftijdgenoot die zich belachelijk maakt met jonge meiden, “maar tegelijk kijk ik naar zijn oude handen. En meteen daarna naar de mijne.”

mailIcon print |