recensie Norman Lebrecht: Requiem voor de muziek. Gottmer/Becht, Bloemendaal; 476 blz. - ¿ f59,90.
Men kan erin lezen wie in de loop van de laatste twee eeuwen de muziek betaalde, wie er voordeel uit trok, wie haar organiseerde en waarom. Lebrecht gaat weer op de voor hem karakteristieke wijze te werk: polemisch en ongenuanceerd. Als men hem moet geloven, zijn haast alle topartiesten, muziekdirecteuren en impresario's duitendieven en zakkenvullers. De Italiaan Gaetano Belloni, die voor Franz Liszt concerten organiseerde, was de eerste echte impresario en hij behoorde tot de goede soort. Daarna werd het, volgens de auteur, alleen maar slechter.
Lebrechts berichtgeving over situaties in het buitenland valt moeilijk te controleren, maar al zijn alinea's over misstanden in het Nederlandse muziekleven bevatten feitelijke onjuistheden. Zo schrijft hij dat Valery Gergiev zonder medeweten van zijn impresario een deeltijd aanstelling als dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest aanvaardde. Dit bleek, bij navraag, niet te kloppen.
Ook meldt Lebrecht dat de vroegere artistiek leider van het Concertgebouworkest, Hein van Royen, verantwoordelijk was voor het vertrek van Bernard Haitink. Zo kun je het bekijken, maar het is even zo goed waar dat Haitink zijn geluk in het buitenland wilde beproeven. De Nederlandse Opera werd, volgens Lebrecht, vanaf de opening van het nieuwe gebouw, belichaamd door artistiek directeur Pierre Audi - waarmee hij het turbulente tijdperk-Van Vlijmen maar even overslaat. Wanneer de gegevens over het Nederlandse muziekleven niet correct zijn, mag men aannemen dat Lebrecht ook in zijn beschrijving van misstanden in de rest van de muziekwereld het een en ander aan steken heeft laten vallen. Maar sappig schrijft hij wel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.