recensie Adri Duivesteijn: Het Haagse Stadhuis - bouwen in een slangenkuil. SUN, Nijmegen; geïll., 479 blz. - ¿ 44,50.
Een ambitieus plan, het bouwen van een groot complex aan het Spui met een stadhuis en een bibliotheek, dat in 1986 als een brainwave en een droom begon, werd jarenlang gefrustreerd door een wethouder die om onduidelijke redenen dwars bleef liggen om het dwarsliggen. En die daarbij geen middel schuwde.
Wie Duivesteijns boek leest, wordt gaandeweg opgewarmd voor het toetje: als Gerard van Otterloo (wethouder van financiën in een links college dat in 1986 gestalte kreeg en in 1989 als een zeepbel uit elkaar spatte) er niet was geweest, had het stadhuis/bibliotheek-complex er veel eerder kunnen staan en was veel onnodig gedoe voorkomen.
Duivesteijn zegt het niet letterlijk, maar zorgt er wel voor dat je deze conclusie als lezer zelf trekt. De argumenten die hij hiervoor aandraagt, zijn (aangenomen dat de weergave van de feiten correct is) overtuigend genoeg, maar toch moet je als lezer steeds blijven beseffen dat Duivesteijn als wethouder van ruimtelijke ordening een van de belangrijkste spelers in het spel was. En als zodanig op zijn minst een gekleurde kijk op de zaken heeft. Het dwarsbomen van Van Otterloo leidde uiteindelijk niet alleen tot diens, maar ook tot Duivesteijns val, en dat oude zeer wordt met dit boek keihard gewroken.
Het boek is gebaseerd op Duivesteijns herinneringen en aantekeningen en doorspekt met passages uit de pers, nota's, beleidsplannen, brieven en notulen, die het werk een objectief aura moeten geven. Zonder scrupules onthult Duivesteijn alles wat tot dusverre achter gesloten deuren was gebleven.
Met name Van Otterloo en zijn geestverwanten krijgen het zwaar te verduren. Duivesteijn wordt niet moe uit de doeken te doen hoe Van Otterloo zichzelf tegenspreekt, vertragingstactieken gebruikt die het project moeten laten ontsporen, programmatische eisen afdwingt om vervolgens de hoge kosten die hieruit voortvloeien, als kop van jut te gebruiken en meer van dat soort fraais.
Het klapstuk is de onthulling dat Van Otterloo geheime informatie doorgespeeld zou hebben naar het kamp van zijn favoriete architect, Rem Koolhaas, zodat deze een betere aanbieding zou kunnen doen. In eerste instantie was Van Otterloo enthousiast over het stadhuis-project en wilde hij heel graag dat Koolhaas zou winnen. De opdracht ging echter naar Richard Meier en vanaf dat moment werd Van Otterloo een hardnekkige tegenstander, zeg maar een luis in de pels van het stadhuis-project.
Duivesteijns boek kent twee gezichten. Het geeft een ontluisterend beeld van de tweespalt binnen de Haagse PvdA én een helder inzicht in de positie van de gemeente als initiator en opdrachtgever bij een dergelijk omvangrijk bouwkundige opgave, met alle onderhandelen en afspraken die daarbij horen.
Met name dit tweede gezicht maakt het boek zeer onderhoudend. Het is een case study over het laveren en het loven en bieden dat hoort bij het bouwen van prestigieuze projecten in de stedelijke en politieke praktijk. Los van alle interne perikelen binnen de PvdA, geeft Duivesteijn een gedetailleerd en zeer inzichtelijk beeld van de manier waarop je een dergelijk project als gemeente succesvol kunt aanpakken. Vooral de stedebouwkundige voordelen van de bouw van het stadhuis aan het Spui zet Duivesteijn kernachtig en overtuigend neer. De achterliggende filosofie kan voor veel gemeenten een lichtend voorbeeld zijn.
Het gebouw is er uiteindelijk gekomen, maar de gekozen financiering (hèt hete hangijzer) blijkt minder gunstig uit te pakken dan verwacht. Er was een constructie bedacht waarin het Algemeen Burger Pensioenfonds (ABP) de opdrachtgever zou zijn en de gemeente de huurder. Inmiddels zit de gemeente Den Haag er echter al over te denken het gebouw toch voor 275 miljoen gulden van het ABP te kopen, omdat de rente-regeling die met het pensioenfonds was afgesproken, tegenvalt.
In zijn memoires brengt Duivesteijn de entree van het ABP in de onderhandelingen met de Haagse bouwwereld nog als een briljante strategische vondst. Van Otterloo had er toen al bezwaren tegen (en gebruikte dat in zijn tegenstand). Met zijn boek geeft Duivesteijn zichzelf gelijk, inmiddels blijkt Van Otterloo ook een beetje gelijk te hebben. We hebben zijn visie op de affaire nodig om te zien of de waarheid misschien in het midden ligt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.