*

 

Literator Jack Miles portretteert God als heerszuchtig en woest typetje

A. A. SPIJKERBOER − 23/08/96, 00:00

recensie Jack Miles, een biografie. Anthos, Amsterdam 1996; 424 blz., ¿ 59,50.

Miles' benadering van God is literair. Zoals een letterkundige aan de hand van Shakespeares benoemde drama kan na gaan hoe Hamlets karakter zich ontwikkelt, zo gaat Miles aan de hand van de tekst die hij voor zich heeft liggen na wat God allemaal doormaakt. Onbeslagen ten ijs komt hij niet: Miles is Jezuïet geweest, hij heeft godsdienstwetenschappen gestudeerd aan de Gregoriana in Rome en aan de Hebreeuwse universiteit in Jeruzalem, en hij is gepromoveerd op de talen van het Midden-Oosten. Hij is daarna zeven jaar redacteur literatuur van de Los Angeles Times geweest en nu neemt hij dus als literator het woord over God.

De hoofdlijn van Miles' boek is dat God de mens naar zijn beeld geschapen heeft en dat God, die er eerst geen idee van heeft wie hij zelf is, er in de loop van zijn geschiedenis met Israël langzaam maar zeker achter komt hoe hij eigenlijk in elkaar zit. Heeft hij, tijdens de Babylonische ballingschap, zijn identiteit eenmaal ontdekt, dan blijkt hij wat moe geworden te zijn en zich terug te trekken.

In Genesis is God erg in de weer met de vruchtbaarheid. Eerst gebiedt God de mensen zich te vermenigvuldigen, maar vlak voor de zondvloed blijkt het uit de hand te lopen met die vruchtbaarheid, en daar steekt God een stokje voor door de mensheid, afgezien van Noach en de zijnen, te laten verdrinken. Met Abraham begint hij dan opnieuw, maar Abrahams vruchtbaarheid wordt wel aan voorwaarden verbonden. Wanneer Abrahams volk in Egypte in de verdrukking is geraakt, ziet God zich genoodzaakt zijn volk te hulp te komen en ontdekt hij zijn eigen kwaliteiten als vechtjas: hij laat Farao en zijn paarden en wagens in de Rode Zee verdrinken. Eenmaal in de woestijn besefte hij dat hij zich een heel volk op de hals had gehaald en dat hij dit volk dus een wet en een land zou moeten geven. Er zat niets anders op: hij deed het.

De wet moet wel gehandhaafd worden en wanneer Israël in het beloofde land de wet met voeten treedt, schakelt de God de Assyriërs en de Babyloniërs in om zijn volk uit het land te verdrijven. Hij blijkt dan ook een internationale rol voor zichzelf gecreëerd te hebben. Spijtig is het overigens allemaal wel, en God ontdekt zichzelf als treurende echtgenoot en geslagen vrouw. In de ballingschap komt God er achter dat hij onkenbaar is en in de laatste geschriften van de Hebreeuwse bijbel wordt het dan ook stil: in Spreuken, Prediker en Hooglied komt God zelf niet meer aan het woord en in Ester wordt hij zelfs helemaal niet meer genoemd. Job eindigt volgens Miles, die een heel eigen vertaling van Jobs laatste woorden geeft, hiermee dat Job, vol “huiver om zijn sterfelijke lichaam”, afscheid van God neemt. Dat is het dan, en daarmee laat Miles de laatste geschriften van de Hebreeuwse bijbel aansluiten bij het levensgevoel van onze tijd. Daarom komt de volgorde van de boeken in de Hebreeuwse bijbel hem zo goed uit.

In zijn voorwoord zegt Miles: van God is hij niet en zijn lezers zullen hem nooit op enige eerbied kunnen betrappen. Ik laat een paar citaten volgen: Gods gedrag in Genesis is “ruwweg, dat van een man met een uitbundig zelfvertrouwen, met opdringerige tot agressieve manieren en onvoorspelbare welbespraaktheid.” Deuteronomium betrekt de Heer “in complexe internationale manipulaties, zoals we die nog niet eerder zijn tegengekomen.” Het boek Jesaja is “het schouwspel van een strijd waarin de zenuwen van de Heer God tot het uiterste gespannen zijn.” Over de Hebreeuwse bijbel in zijn geheel: “Gods karakter wordt in het algemeen, pagina na pagina, boek na boek, gekenmerkt door heerszuchtige ongevoeligheid, regelmatig onderbroken door woede.”

Nu zou ik niet weten waarom je de bijbel niet als literator zou mogen benaderen en mijnentwege kan ook een ongelovige literator dat doen. Je weet nooit wat er uit de bus komt. Maar bij Miles' boek komt wel de vraag op of een literaire benadering, die geen ogenblik, maar dan ook geen ogenblik, stilstaat bij de vraag wat de schrijvers en de samenstellers van een boek op hun hart hebben, ook maar iets tot een beter begrip van een tekst kan bijdragen.

De Hebreeuwse bijbel is een geheel, dat uit drie delen bestaat: in het eerste deel, de boeken van Mozes, wordt uiteengezet wat God voor Israël gedaan heeft en hoe zijn volk mag leven. In het tweede deel, de profetische geschiedschrijving en profeten zoals Jesaja, wordt Mozes toegepast op het leven van het volk. In het derde deel, de Psalmen en de andere geschriften, hoor je het antwoord van het volk op de profeten.

Het spreekt dan nogal vanzelf dat God in de geschriften nauwelijks iets zegt. Daaruit moet je niet de conclusie trekken dat God vertrokken is, maar dat Israël iets terug mag zeggen en zelfs - als je bijvoorbeeld de psalmen leest - heel wat terug mag zeggen. Zoiets kan toch ook een literator begrijpen?

mailIcon print |