recensie Op zondagmiddag 29 januari 1995 zit dr. Eep Talstra in het Magna Plaza in Amsterdam om in een forumdiscussie met 'bescheiden protestborden' ('Recht op ritme') te protesteren tegen het openstellen van de winkels op zondag. 'Als u op zondagmorgen met uw vereniging gezellig bij elkaar wilt zitten, is daar niets op tegen. Maar u mag van ons niet verlangen, dat we daarvoor op zondag alle winkels dichthouden', hoort hij een Amsterdams gemeenteraadslid zeggen.
Ik zou om zoveel anti-religieuze botheid, zoveel gebrek aan cultureel besef en zoveel patserig machtsvertoon in één zin, het stof van mijn schoenen geschud hebben, maar Talstra, en dat siert hem, ziet er een uitdaging in. Met zijn taal over God kwam hij niet over bij de Magna Plaza-regenten. Kwam dat nu doordat de taal van gelovigen zich inderdaad heeft teruggetrokken op het domein van de eigen vereniging? Of heeft gelovige taal wel degelijk, en nog steeds, algemene geldigheid? Over die vragen schreef hij een boek.
Dat Talstra in het Magna Plaza zo'n beetje met de mond vol tanden stond, verwijt hij, zo blijkt daaruit, ook de kerk. Door de leesroosters, die tegenwoordig zo in de mode zijn, wordt over bepaalde bijbelgedeelten of dogmatische leerstukken (de wederkomst bijvoorbeeld) nooit meer gepreekt. Bovendien vindt er door de behoefte het in de kerkdiensten allemaal mooi en liturgisch verantwoord te zeggen een 'poëtisering' van de kerktaal plaats. Esthetisch best mooi, maar voor je het weet, is het clubtaal, of, in Magna Plaza-jargon, verenigingsjargon geworden.
Roostervrij is daarom niet alleen kritisch tegenover een maatschappij die van geen roostervrije dag meer wil weten, maar ook tegenover de leesroosters van het liturgisch kerkelijk establishment.
Zowel die aanleiding voor het boek, een frustrerende discussiemiddag over de zondag, als de kritische kanttekeningen bij kerkelijke leesroosters wekken in het begin veel verwachting. Daarom is het jammer dat de aandacht toch een beetje verslapt bij het eigenlijke werk, de uitleg van een aantal voor Talstra significante bijbelteksten. Dat ligt niet aan de kwaliteit van het exegetisch spit- en graafwerk. Op zich is dat prima voor elkaar. Maar Talstra komt er toch niet verder mee dan voor gelovigen nog eens te verwoorden, dat hun God een God is van de hele wereld en niet van een vereniging, waarvan de leden elkaar op zondagochtend treffen. 'Maar wij hebben God', lijkt Talstra zijn Magna Plaza-opponenten nog eens toe te willen voegen.
Alleen, zij waren daar toen niet van onder de indruk en ook nu zullen zij dat niet zijn. Want de gesprekspartners praatten toen niet langs elkaar heen omdat ze religieus zo verschillend dachten (al deden ze dat waarschijnlijk ook), maar omdat ze fundamenteel van mening verschilden over de vraag wat bepalend is voor een cultuur. Het standpunt van Talstra, en ik val hem daar helemaal in bij, is dat een cultuur die het religieuze verbant naar de privé-sfeer, zichzelf verarmt, doordat het vacuüm onvermijdelijk wordt opgevuld door ideologie. In de huidige situatie is dat de ideologie van markt en geld. Het boven geciteerde gemeenteraadslid daarentegen ontbeert ieder gevoel voor de rol van religie en ziet een a-religieuze cultuur juist als het toppunt van Verlichting en Vooruitgang.
Om het taalprobleem dat dit verschil in cultuuropvatting veroorzaakt te boven te komen, is een door ieder als zodanig erkende gemeenschappelijke taal nodig. En niet een religieuze taal, waarvan de gelovige zegt, dat die algemeen behoort te zijn. Door niettemin op dat laatste in te zetten heeft Talstra weliswaar een voor gelovigen bevestigend boek geschreven, maar voor de dovemansoren van het Magna Plaza-debat zal dat vergeefse moeite blijken te zijn.
Wie wat wil weten van het prilste begin van de christelijke kerk wijs ik op De Jezusbeweging van Gerd Theissen. Aan de hand van buiten-bijbelse historische bronnen schetst Theissen de ontstaansgeschiedenis van het vroege christendom. Begonnen als een beweging met enerzijds rondtrekkende 'charismatische predikers' en anderzijds in de maatschappij geïntegreerde groepjes gelovigen, zie je geleidelijk aan de invloed van de rondtrekkers afnemen.
Dat komt vooral door de grote verschillen in revolutionair elan binnen en buiten Palestina en het succes van de beweging daar buiten. Daardoor ontstond een onderscheid tussen een revolutionair-charismatisch, joods-christelijke groep binnen Palestina en een maatschappelijk geïntegreerde, heidens-christelijke groep in de diaspora.
Door het missionair succes werd die heidens-christelijke groep steeds belangrijker, terwijl anderzijds de joods-christelijke 'Palestina groep' na de opstand van het jaar 70 werd weggevaagd. Mede als gevolg daarvan werd de breuk met de synagoge onvermijdelijk.
Tot slot wijs ik nog op De boksende boeddhiste en andere zoekers naar zingeving. Een van die zoekers is Jan ter Laak, voormalig priester en secretaris van Pax Christi. Het is het verhaal van een man, die oprecht geloofde dat het bieden van pastorale hulp zich verdiepen kon/mocht in intimiteit. Wat een ellende is het toch, dat de kerken voor dit soort pastorale beroepsfouten geen 'early warning' systemen hebben. 'Ik heb nog nooit zoveel gehuild', schrijft Ter Laak, die zichzelf omschrijft als een naakte slak. Maar waarom, zo vraag je je af, moest alles eerst kapot, voor er door ingrijpen van buitenaf bezinning kwam?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.