recensie Ria van den Brandt (red.): Alice Nahon 1896-1933: Kan ons lied geen hooglied wezen. Houtekiet, Antwerpen/Baarn; 303 blz. - ¿ 39,90.
In bundels met veelzeggende titels als 'Vondelingskens' en 'Op zachte Vooizekens' wierp zij zich op als een tweede, vrouwelijke Gezelle zonder echter zijn natuurlijkheid en oorspronkelijkheid te benaderen. Vroomheid, dienstbaarheid en een melancholische liefdesverlangen voeren de boventoon in haar sentimentele en vaak wat gekunstelde poëzie. De dichteres van de verkleinwoorden noemde Paul van Ostaijen haar, die vooral haar neiging bekritiseerde het grote publiek te willen behagen.
Van 'oprechte onoprechtheid', zoals Van Ostaijen meende, gaf de donkerblonde, ziekelijke dichteres niet alleen blijk in haar poëzie, maar ook door het in stand houden van de mythe die rond haar persoon geweven werd. Nahon debuteerde in 1920 tijdens haar verblijf in een verpleeghuis, waar ze kuurde nadat tuberculose bij haar was vastgesteld, later bleek ten onrechte.
Nu dit jaar haar honderdste geboortedag wordt gevierd, lijkt de tijd rijp om de Nahon te zoeken die schuil gaat achter haar image als 'brave Vlaamse offermaagd'. De verzameling essays van Ria van den Brandt c.s. betekent in dit opzicht een breuk met de tot nu toe vooral hagiografische geschiedschrijving. De meeste auteurs ontkomen in hun bijdragen echter niet aan het lot van hun voorgangers, namelijk een sterke concentratie op de biografie. Een andere weg lijkt er ook niet te zijn om het heersende eendimensionale beeld van Nahon en haar poëzie op te heffen. Want de selectie ongepubliceerd materiaal dat achter in de bundel opgenomen is, is in dit opzicht niet overtuigend genoeg. Al wijzen regels als 'Wanorde van m'n ziel/ Ik haat U / Zoals 'n man de vrouw moet haten / Die hij niet liefheeft/ En niet kan laten' en 'Muur van m'n geest/ Val om! verpoeier!' op een lyrisch ik die die in vergelijking tot veel andere gedichten, onverhuld bitter en opstandig klinkt.
De andere facetten die aan de dag komen, werpen geen verrassend nieuw licht op haar poëzie. Maar zij roepen wel vragen op naar het 'fenomeen Nahon' en het ongekende succes van haar dichtbundels, die oplages bereikten van 70 000 exemplaren. Nahons leven getuigt van een verwarrende tegenstrijdigheid. De dichteres die tot ver in de dertig 'het meisje Nahon' bleef en klassieke vrouwelijke deugden verheerlijkte, leidde een rusteloos en allesbehalve traditioneel leven. Voortdurend was ze op reis, afwisselend logerend bij vrienden en kennissen, soms werkend als gezelschapsdame of verpleegster, dan weer kurend in sanatoria. Ze verbleef graag in het avant-gardistische milieu, waar ze onder het motto 'De gedichtjes zijn bijzaak. Alice is hoofdzaak!' een welkome gast was. Want ze was niet alleen aantrekkelijk, maar kon ook discussiëren 'als een man'(. . .). Kortstondige liefdesaffaires met kunstenaars volgden elkaar op. Maar deze kokette 'zwerfkat', zoals een van haar vrienden haar typeerde, ging in de loop der jaren steeds meer gebukt onder eenzaamheid en depressieve stemmingen. Uiteindelijk stierf Nahon op 37-jarige leeftijd, uitgeput door voortdurende aanvallen van bronchitus.
Al de elementen die afbreuk konden doen aan haar imago, werden weggefilterd uit de publieksinformatie; ook na de tweede wereldoorlog toen de populariteit van Nahon al tanende was. Dat Nahons literaire succes vooral een aan tijd en cultuur gebonden verschijnsel was, staat buiten kijf. Zowel naar vorm als inhoud maakt het werk een hopeloos gedateerde indruk.
Het ligt dan ook voor de hand om het fenomeen Nahon vanuit een cultuurhistorische invalshoek te benaderen. In de opzet een caleidoscopisch beeld te geven is de bundel zeker geslaagd. Een veelvoud aan onderwerpen wordt besproken, zoals het belang dat Vlaamse Nationaal Socialisten aan Nahons werk toekenden; de emotionele betekenis die de poëzie had voor de vooroorlogse generatie vrouwen; en de sociaal-emotionele functie voor adolescenten van de levenswijsheden die Nahon in haar poëzie verkondigde en enkele decennia later Janis Joplin en Tina Turner in hun liefdesliedjes.
Verrassend, met name vanuit het oogpunt van de literatuurgeschiedschrijving, zijn de essays van Ria van den Brandt en Manu van der Aa over respectievelijk Nahons leven, haar contacten met de avant-garde en de ontmoeting met Du Perron. Ten slotte biedt de bijdrage van Daan van Speybroeck een boeiende analyse van de beeldvorming rond Nahon en haar werk, aan de hand van foto's, portrettekeningen en dergelijke. Daaruit blijkt dat de sensualiteit, de rusteloosheid en de complexe natuur van Nahon systematisch uit het zicht gehouden werden door de uitgever, de dichteres zelf en, na haar dood, haar familie.
Een synthese tussen de verschillende kanten van haar persoonlijkheid ziet Van Speybroeck alleen aanwezig in de foto die op de omslag staat afgebeeld. Kwetsbaar, maar met een vastberaden trek om de mond kijkt Alice Nahon de lezer aan, eindelijk oprecht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.