*

 

Joost Zwagermans pleidooi voor sensibel realismeLiteratuur met de luiken open

ROB SCHOUTEN − 02/02/96, 00:00

recensie Joost Zwagerman: In het wild, essays en kritieken. De Arbeiderspers, Amsterdam; 164 blz. - ¿ 29,90.

In het essay dat Joost Zwagerman aan haar wijdt ontwaar ik dezelfde dubbele gevoelens maar je proeft toch dat de bewondering het bij hem wint als hij noteert dat ze in feite anticipeert op de irritaties die ze oproept. Bij mij wint de ergernis het, maar ik begrijp waarom Zwagerman zo gefascineerd is door haar sweeping statements. Ook in zijn eigen essays zit vaak een polemische kern en ook hij lijkt zich vooral te keren tegen misplaatste intellectuele pretenties.

Bovendien blijkt hij gefascineerd door de hedendaagse Amerikaanse cultuur. Van de in zijn juist verschenen bundel 'In het wild' gepubliceerde essays en kritieken gaat driekwart over Amerikaanse kunstenaars: Saul Bellow, John Updike, Nicholson Baker, Henry Miller, Jeff Koons, Douglas Coupland, Bret Easton Ellis.

Die belangstelling voor Amerika deel ik, maar tegelijkertijd proef ik dat hij van een generatie is voor wie de Amerikaanse cultuur het vanzelfsprekende onderwerp is, wat voor mij zeker niet geldt. Toen ik tien jaar geleden voor het eerst naar de Verenigde Staten vertrok moest ik toch even slikken; de resten anti-Vietnam, -kapitalisme en -consumptiemaatschappij waren nog niet helemaal verteerd. Maar voor Zwagerman levert Amerika gewoon de toonaangevende cultuur van onze tijd. Halfbakken idealisme kent hij niet.

Zelf rekent hij zich in zijn essay 'Net zo verloren als alle anderen' (over de generatieromans van Douglas Coupland) tot de 'generatie x', die hij alsvolgt beschrijft: “De generatie waartoe Heijne en Leavitt - en ook ik - behoren is opgegroeid met de inprenting dat de (generatie)conflicten die onze ouders nog uitvochten, weinig hebben opgeleverd. De achterliggende idealen en ideologieën bleken immers zéér beperkt geldig - een besef dat lang niet altijd als een verworvenheid maar eerder als een last, een bron van onbehagen wordt beschouwd.”

Meer dan welke andere schrijver van zijn generatie lijkt Zwagerman zich scherp bewust van iets als een Zeitgeist, waaraan hij deelneemt maar die hij ook probeert vorm te geven. Zonder tot de viswijvenscheldpartijen van Paglia te vervallen keert hij zich toch voortdurend tegen de voorgaande mentaliteit.

Je proeft dat vooral in zijn aanstekelijke stukken over Nabokov, Updike en Bellow, Henry Miller en Bas Heijne. In feite vormen ze de voortzetting van zijn befaamde stuk tegen de stilstand in de Nederlandse poëzie, 'Het juk van het grote niets' waarin hij zich tegen de geest van ingetogenheid en stilstand in de Nederlandse poëzie verzette en voor meer literair lawaai pleitte. Literaire appreciatie van de actualiteit en het alledaagse staat nog steeds op zijn menu. Daarom bewondert hij schrijvers als Bellow en Updike zo, omdat ze in hun werk een intelligent en sensibel realisme niet uit de weg gaan. Net als zij keert Zwagerman zich tegen loze esthetisering, maar je ziet hem ook vrezen dat de Nederlandse geest nog altijd niet rijp is voor de in enig opzicht met de actualiteit geëngageerde roman, maar 'een fenomenologie van de kunstleren boodschappentas' verkiest, een sneer naar Matsier geloof ik.

Toch zoekt hij naar een soort literair midden, krijg ik de indruk. In zijn stuk over Nabokovs roman 'Lolita', waarin hij met een groot aantal interpretaties afrekent maar tot mijn verbazing de befaamde film van Stanley Kubrick niet noemt, verzet hij zich tegen de academische opvatting die de nadruk legt op ambiguïteiten, spiegelingen, omkeringen en registerwisselingen in het boek en benadrukt dat het verhaal bij alle virtuoze vertoon toch uiteindelijk neerkomt op 'pederast pakt schoolmeisje'. Hij zoekt dus vooral naar de inhoudelijke kern. In het geval Miller daarentegen lijkt hij zich weer aan te sluiten bij de opvatting die het schijnbaar primair seksuele karakter wil uitleggen als een vorm van mystiek. Terwijl hij dus Nabokov uit de handen van de literatuurwetenschappers probeert te houden duwt hij Miller er min of meer in.

Zwagerman heeft een prikkelende, welsprekende manier van formuleren, die mij uitstekend bevalt. Neem bijvoorbeeld de wijze waarop hij de ontwikkeling van het begrip 'camp' karakteriseert: “Het meest verrassend en verkwikkend was nog wel dat het festival bleek gevrijwaard van camp, het steekwoord waarachter nog niet zo lang geleden een modieuze, meestal homoseksuele tegencultuur van ironisch uitvergrote wansmaak schuilging maar dat inmiddels is verschraald tot een gemakzuchtig uit de gebruikelijke context lichten van allerlei lowbrow-activiteiten, met de bedoeling om massavermaak en populisme cultureel correct te verklaren.”

Ook in zijn stukken over Nicholson Baker, auteur van de libidineuze roman 'Vox', en Brett Easton Ellis, van het controversieel gruwelijke 'American Psycho', toont Zwagerman zich een kritisch genieter. Zijn stukken zijn niet alleen erg informatief over de boeken in kwestie voor wie die, zoals ik, niet gelezen hebben maar leveren naast de bewondering ook aannemelijke kritiek. Ik krijg sterk de indruk dat Zwagerman in deze en andere essays sterk geporteerd is voor iets als wezenlijke tragiek, of echt doorvoelde emoties; hij zoekt naar een vorm van authenticiteit, in dat opzicht doet zijn kruistocht tegen academisme soms aan Du Perron en Ter Braak denken.

In zijn stuk 'Redt de roman' vat hij zijn programma min of meer samen. Tegen het idee van Bas Heijne dat een roman in de eerste plaats een bouwsel van taal is en en een plaats voor zelfonderzoek en niet voor maatschappelijke relevantie en dat er geen moraal, beeld of standpunt in thuishoort, verzet Zwagerman zich heftig. Maar hij geeft ook toe dat het verlangen naar de ivoren toren 'des schrijvers' is: “de plek waar vrijwel iedere schrijver, ongeacht zijn opvattingen over aard en wezen van literatuur, vermoedelijk uiteindelijk het liefst vertoeft. Maar anders dan Heijne houd ik graag de luiken open.”

mailIcon print |