recensie Albert Verwey: Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888. Bezorgd, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Margaretha H. Schenkeveld en Rein van der Wiel. Querido, Amsterdam; gebonden, 681 blz. - ¿ 75.
Betrekkelijk, want er is in de loop der tijd natuurlijk genoeg materiaal openbaar gemaakt, waaruit die menselijke, kleine geschiedenis kan worden gereconstrueerd, die voor de bouwstenen heeft gezorgd van de grote. Briefuitgaven brengen ons het dichtste bij, daarin wordt de tijd teruggevoerd naar het moment, het uur van de dag van de week van de maand van het jaar achttienhonderdzoveel, en het personage uit de geschiedenisboeken is iemand die een brief schrijft aan een ander.
Van alle Tachtigers is Albert Verwey degene met de meest omvangrijke correspondentie. Maar een klein gedeelte, dat de tijd bestrijkt van zijn redacteurschap van De Nieuwe Gids (van juli 1885 - december 1888), is nu openbaar gemaakt: ruim achthonderd brieven van en aan Verwey.
Gewoonlijk beperken briefuitgaven zich tot twee correspondenten, begrijpelijk alleen al vanwege de plaatsruimte, maar het beeld dat een volledige correspondentie, voorzover overgeleverd, uit een bepaalde periode geeft, is veel levendiger en laat de onderlinge verbanden tot hun recht komen.
Het is bijna niet voor te stellen, en toch moet het, dat Verwey aan het begin van de correspondentie, staande aan de wieg van De Nieuwe Gids, nog maar net twintig jaar oud is. Een jongen die al sinds zijn vijftiende gedichten schrijft, al essays heeft gepubliceerd in De Amsterdammer, zojuist weliswaar gezakt is voor het staatsexamen gymnasium, maar binnenkort redacteur zal blijken te zijn van een nieuw tijdschrift en bovendien zijn eerste dichtbundel zal uitgeven. Hij is dan al bijna vier jaar met Willem Kloos bevriend, die net als de andere redacteuren, Frederik van Eeden, Frank van der Goes en Willem Paap, een stuk ouder is.
De eerste brief is afkomstig van Martha van Vloten, de verloofde van Van Eeden, en heeft de hartelijke, intieme toon die al haar brieven aan 'Albertje' zullen kenmerken. Ze betreurt het dat hij is gezakt, maar probeert hem op te beuren door te wijzen op zijn vele andere, literaire talenten, waarmee hij Nederland nog versteld zal doen staan. Schitterend is het slot van haar brief:
“Weet je wat je voor een verzetje eens moest doen? Een beetje Italiaansch leeren en Dante lezen, en ga hem dan eens vertalen en als je dát kunt, (. . .) dan moog je voor alle examens ter wereld zakken zonder het je een ogenblik aan te trekken. Dag Albertje, houd moed! Martha.”
Verwey ging zich vervolgens niet in Dante, maar in Shakespeare verdiepen, ook geen geringe onderneming. Pas in de jaren twintig gaf hij gevolg aan Martha's suggestie, al is het onwaarschijnlijk dat hij zich die nog herinnerde. In acht weken vertaalde hij toen, op rijm, de complete Divina Commedia, een zoveelste bewijs van zijn onstuitbare werklust.
Wat opvalt in de correspondentie is dat Verwey, op zo jonge leeftijd al, een sterk bewustzijn heeft van het nieuwe dat er staat aan te komen. Hij ontvouwt geregeld zijn denkbeelden hierover, onder anderen aan Jac. van Looy, Van Eeden, Willem Doorenbos (zijn vroegere leraar) en Jan Veth. Het dichterschap beschouwt hij als zijn roeping, de dichter is in zijn opvatting “héelemaal mensch, méer dan de meesten”.
Als Veth een aantal aanmerkingen krijgt op een paar ingezonden sonnetten, vraagt Verwey hem toch vooral te blijven meedoen: “Ik zou het vreeselijk jammer vinden als je niet voortging meêtehelpen aan het schrijven van iets beters dan er tot nu toe geweest is. Waar zoo weinig personen zijn is elk van ons geen klein deel van onze nieuwe letterkunde.”
Hier is de organisator van het nieuwe aan het woord. Van alle redacteuren lijkt Verwey het meest aan de touwtjes te trekken, hij jut medewerkers op, vraagt om bijdragen, oordeelt omstandig over de inzendingen, kortom, hij draagt De Nieuwe Gids. Er is meteen al, nog voor het eerste nummer is verschenen, onenigheid over een bijdrage van Paap, die Verwey karakteriseert als “'n Chaos van een ijdel godje, die niet weet hoe hij scheppen moet, dàt is het stuk van Paap.” Een opmaat voor het verdwijnen van Paap, na één jaargang, uit de redactie.
Aan Van Looy heeft Verwey de mooiste, de meest zelfverzekerde dingen ook geschreven over de beweging in de kunst: “Nu we gegroeid zijn en een beweging om ons gemaakt hebben, nu maken we niet langer verzen of schilderijen: Ze worden in ons gemaakt voor we 't willen of weten en we moeten ze er uit gooien zooals ze gemaakt zijn.”
Het is dan november 1885, het eerste nummer van De Nieuwe Gids is nog maar net verschenen. Maar hij weet het zeker, de richting die de kunst nu is ingeslagen, heeft de toekomst: “Sints de N.G. er is heeft de beweging zich versterkt en verbreed: het hoeft niet lang te duren of het karakter van de poëzie en het proza in Nederland is voor een eeuw of meer bepaald.”
Niet alle correspondenten, vanzelfsprekend, zijn even interessant of belangrijk, er staan ook kattebelletjes in deze 'Briefwisseling'. De aantrekkelijkste correspondent is zeker Van Looy, die gemoedelijk en geestig verslag doet van wat hij meemaakt op zijn mediterrane kunstreizen.
Ook Van Eeden mag er als correspondent zijn: altijd goedgeschreven, scherpzinnig en belangwekkend. Als hij met Martha op huwelijksreis is in Zuid-Frankrijk schrijft hij lyrisch over de natuur aldaar.
Veth en Doorenbos schrijven substantieel, Charles Marius van Deventer laat zich kennen als een flinke aansteller, Willem Witsen als een geëmotioneerde bewonderaar. Kloos houdt niet van brieven schrijven en zijn bijdrage aan dit boek bestaat dan ook hoofdzakelijk uit korte berichtjes.
Wel komt Kloos vaak ter sprake, ook in de brieven van Verwey aan zijn latere vrouw Kitty van Vloten. Niet eerder heeft iemand van deze correspondentie kennis mogen nemen, ook Verwey's biografen niet. Het zijn, of liever: worden gaandeweg echte liefdesbrieven en voor het eerst wordt een tipje opgelicht van de sluier die over Kloos' breuk met Verwey ligt.
Toen Verwey eind 1888 zijn verloving met Kitty bekend maakte, raakte Kloos met wie hij dus al jaren innig bevriend was, daar volkomen door van streek. Verwey verklaart dit aan Kitty als volgt: “Willem is in al die jaren, dat wist ik zoo, heelemaal in mij opgegaan. Hij heeft mij zien doen wat hij zelf wel had willen doen; hij vertrouwde op me, dat ik altijd goed voor hem zou wezen; hij is gaan worden zooals hij wist dat ik hem hebben wou.” Dan komt het hard aan als hij moet inzien “dat hij wèl mijn vriend zou zijn, maar dat ik toch hooren ging van jou”.
De 'Briefwisseling' is van de nodige toelichting voorzien door de editeurs, die elke brief zorgvuldig annoteerden. Het beeld dat uit deze correspondentie oprijst is levendig en gevarieerd, met de jonge en energieke Verwey als middelpunt. Deze centrale rol wordt, vermoed ik, door nog maar weinigen gezien, want hij is bijna vergeten, zoals ook zijn werk, zijn proza en poëzie, zeer ten onrechte vrijwel niemand meer kent.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.