*

 

Jef Geeraerts vreest de donkere gedachten in het uur van de wolf

RUUT VERHOEVEN − 27/01/96, 00:00

recensie Jef Geeraerts: 'Goud', 135 blz., Meulenhoff/Manteau, ¿ 29,90.

Na het onderhoud over zijn jongste creatie, 'Goud', begeleidt Geeraerts zijn gesprekspartner naar het plein voor het Sint-Pietersstation in Gent. Een rood voetgangerslicht verhindert hem niet de oversteek te wagen. Hij trekt een sprintje om het optrekkende snelverkeer voor te blijven. Verbazend gemakkelijk slaagt hij in die opzet. “Ik jog elke dag nog vijf kilometer”, verklaart hij even later zijn kwajongensstreek. “En dan loop ik harder!”

Geeraerts vindt zijn bestaan verrukkelijk. Niettemin wordt hij elke ochtend wakker met de onherroepelijke gedachte dat het ooit afgelopen zal zijn. Dat idee vervult hem met afgrijzen. In zijn recent verschenen boek 'Goud' beschrijft Geeraerts 'zijn donkere gedachten' in wat hij zelf 'het uur van de wolf' noemt. De angst dat het leven zo maar ineens voorbij is, wordt steeds sterker. “Ik ben niet zozeer bang voor de dood, als wel voor het afscheid. Ik wil blijven leven, wat natuurlijk onmogelijk is. Als ik 's morgens wakker word, denk ik: het kan toch niet waar zijn, dat ik er niet meer ben. Wanneer zal het gebeuren, waar en hoe?”

Uit zijn verleden dist Geeraerts moeiteloos voorbeelden op van momenten waarop hij het leven had kunnen laten. “Zoals in 1949”, vertelt hij. “Het was koud. Ik stond met mijn sportvliegtuig op het vliegveld Deurne bij Antwerpen. De motor viel stil, omdat ik vergeten was de choke uit te trekken. In die tijd moest je de propeller nog met de hand aanslingeren, omdat er nog geen startmotoren waren. Ik ben - tegen alle regels in - uit het vliegtuig geklommen en heb zelf de propeller weer aan de praat gekregen. Daarbij scheelde het maar een haartje of mijn hoofd was eraf gehakt. Vervolgens ging het vliegtuig er alleen vandoor. Ik er achter aan. Pas op het allerlaatste moment slaagde ik erin in de cockpit te klauteren en de motor stil te zetten.”

Geeraerts verhaalt ook over die keer dat hij van het dak dreigde te vallen en hij zich nog juist op tijd kon vastgrijpen aan de dakgoot. En over die keer in Belgisch Kongo, waar hij van 1954 tot 1961 werkte als assistent-gewestbeheerder, dat hij werd aangevallen door een olifant. “De negers die mij vergezelden, waren van angst in een boom geklommen, maar ik kon geen kant meer op. Uiteindelijk heb ik dat beest kunnen neerschieten.”

Van meer recentere datum is zijn hachelijke avontuur in Alaska, waar Geeraerts eind 1989 twee weken solitair verbleef in opdracht van het maandblad Playboy. Iedereen verklaarde hem voor gek, maar de destijds bijna 60-jarige Vlaming wilde zichzelf testen, “om te kijken of ik het in mijn eentje nog kon redden.”

Eén dag voor zijn terugkeer naar de beschaving werd Geeraerts plotseling aangevallen door een grizzlybeer, die hij tot dan toe enkel door een verrekijker op gepaste afstand had bewonderd. In een fractie van een seconde haalde hij de trekker over en alleen dank zij deze instinctieve daad kon hij het verhaal navertellen.

Wellicht had de grizzlybeer Jef Geeraerts die snelle dood kunnen bezorgen waar hij op hoopt, als het onvermijdelijke toch gebeurt. “Maar liever rijd ik mezelf te pletter tegen een boom”, zegt hij. “Een snelle dood is mij veel waard.”

Het aftakelingsproces van zijn vader, dat hij in 'Goud' beschrijft, geniet niet zijn voorkeur. “Ik wil waardig kunnen sterven. Als dat om wat voor reden dan ook niet meer mogelijk is, heb ik genoeg vrienden die mij kunnen helpen. Eigenlijk heb ik dat al min of meer met ze afgesproken.”

Een bevriende advocaat is al zes jaar blind en kan zich niet of nauwelijks meer bewegen. Hij komt zijn huis niet meer uit.

“Zo zou ik niet voort kunnen leven”, bekent Geeraerts. “Als je jezelf niet meer kunt bewegen en niet meer kunt genieten van eten, drinken en andere geneugten van het leven, dan is het voor mij de moeite niet meer. Maar ik zou hem niet helpen, als hij mij dat zou vragen. Ik wil geen go-between zijn tussen vrager en uitvoerder.”

Met 'Goud' en zijn vorige roman 'De nachtvogels' is Jef Geeraerts terug op het pad van wat zijn vrouw de 'serieuze literatuur' pleegt te noemen. Zelf beschouwt hij deze boeken als aanvulling op twee delen uit zijn befaamde 'Gangreen'-cyclus, waarmee hij door zijn niets verhullende, vitalistische schrijfstijl en zijn kritiek op het christendom, eind jaren zestig, begin jaren zeventig nogal wat opschudding veroorzaakte. Vooral in België. Veel meer dan met de 14 misdaadromans die hij in de 15 jaar erna schreef.

En dat mag opmerkelijk heten, want Geeraerts schreef die boeken onder meer om zijn landgenoten wakker te schudden voor de vele misstanden in België. Toestanden die volgens de Vlaamse schrijver zo schrijnend kunnen zijn vanwege de typisch Belgische volksaard. “Wij lijken erg veel op Latijnen en Arabieren. Hier wordt alles wat het daglicht niet kan verdragen, toegedekt onder het motto: live and let live. Wie mee kan eten uit de ruif, eet mee. Veel benoemingen zijn politiek. Wie tot het rijtje der prominenten toetreedt, heeft zwijgplicht. In België heb je te maken met een netwerk. Trek je aan één draadje, dan beweegt het hele web.”

Geeraerts noemt het vermeende gesjoemel in het onderzoek naar de Bende van Nijvel als voorbeeld. Die organisatie - volgens Geeraerts gerecruteerd uit ultrarechtse elementen in de Belgische Rijkswacht - vermoordde tussen 1982 en 1985 achtentwintig onschuldige burgers bij supermarkten, teneinde de politieke situatie te destabiliseren. Voor het plegen van een staatsgreep volgens boze tongen.

“De toenmalige minister van justitie, Wathelet, liet de dossiers, 350 000 pagina's dik, overbrengen van Dendermonde naar Charleroi, waar niemand Nederlands spreekt. Daarmee overtrad hij zelf de wet. Al die bladzijden zullen vertaald moeten worden. Dat gaat jaren duren. Deze zaak belandt zeker in de doofpot. Freddy Troch, de rechter in Dendermonde die belast was met het onderzoek, heeft inmiddels een hoge politiepost gekregen. De officier van justitie, die het niet kon verkroppen dat hem het onderzoek werd afgenomen, heeft zichzelf opgehangen.”

Het voor-wat-hoort-wat-principe is in België heel gewoon, zegt Geeraerts. “Ministers bij ons zijn schatrijk geworden van alle commissieloon dat zij ontvangen hebben, in de vorm van geld, maar ook bontjassen, juwelen en kunstwerken. Vandenboeynants had naast zijn job als minister van defensie ook een groot vleesbedrijf. Laat dat bedrijf nou dagelijks vlees leveren aan het leger! En waarom liet Vandenboeynants zich altijd met Dassault-vliegtuigen naar de Cote d'Azur brengen, om zich daar te laten verwennen? Om die vliegtuigen te kopen, natuurlijk. Heeft hij ook gedaan.”

“Als zoiets in Nederland gebeurt, moet een minister aftreden. Bij ons blijven ze zitten. Neem ex-minister van buitenlandse zaken, Mark Eyskens. Die liet hier terroristen toe zonder visum en wentelt vervolgens zijn eigen falen af op zijn ambtenaren. Vervolgens geeft hij zelf toe, dat hij voor een zelfde vergrijp in Engeland had moeten aftreden. Hier dus niet.”

De hoofdcommissaris van politie in Schaarbeek, een Brusselse deelgemeente met veel allochtonen, is, naar onlangs bleek, jarenlang lid geweest van het extreemrechtse Front de la Jeunesse.

“Dat is een club”, legt Geeraerts uit “die wil dat alle buitenlanders zo snel mogelijk vertrekken, dat het stakingsrecht wordt beperkt, homo's gediscrimineerd en abortus opnieuw strafbaar gesteld. Aftreden? Geen sprake van! De burgemeester houdt hem de hand boven het hoofd. En de gewone Belg kan het allemaal niet zoveel schelen. Vraag hem over drie maanden wie De Mol is en niemand weet het meer.”

Geeraerts zal er in elk geval geen nieuwe roman aan wijden. “Ik heb geen zin meer om telkens weer te moeten hameren op de misstanden in België. Als de mensen nu nog niet weten wat hier allemaal aan de hand is. . .”

mailIcon print |