recensie Vier jaar geleden, tegelijk met het Schrijversprentenboek over haar leven en werk, bundelde Hella S. Haasse een aantal autobiografische teksten in het boekje 'Een handvol achtergrond'. Zij vergeleek de samenstelling ervan met een typisch Javaans batikpatroon, Parang Sawat, een tot de randen van de stof gevulde ruimte vol geometrische figuren en gestileerde plant- en bloemmotieven.
Het is kenmerkend voor haar om ook de autobiografische verbeelding, want daar gaat het hier om, in termen van compositie, samenhang, verband te beschouwen. Ze zegt het zelf zo:
“Altijd heb ik de neiging gehad een zo groot mogelijk aantal van de meest uiteenlopende gegevens in één verband onder te brengen; niets schenkt me een zo intens gevoel van innerlijke bevrediging als het herkennen en vervolgens onder woorden brengen van een heel complex van waarnemingen, ervaringen, indrukken, gedachten, verzinsels. Als vanzelf wordt zo een compositie dan ook qua vorm een samenstel van ongelijksoortige elementen: brokjes fictie, beschouwing, verslag, flash-back.” Een batikpatroon kortom.
Heel haar werk staat in het teken van de verbeelding, een woord dat zij schrijft en uitspreekt met een verrassend gemak, totaal onbelast door alle moeilijkheden die tegenwoordig rond de verhouding tussen 'werkelijkheid' en 'verbeelding' gerezen blijken te zijn. Zij vat de verbeelding nog op in de, ik zou haast zeggen, gebruikelijke zin, namelijk die van: scheppende verbeelding. Er is van alles in de wereld en de werkelijkheid waar we geen vat op hebben, waar geen woorden voor zijn, maar waarvan we voelen of beseffen dat er structuur in zit, verband, betekenis. Door te schrijven, te fantaseren, te construeren, er woorden voor te verzinnen is die verbeelding van een werkelijkheid (ook al is zij verzonnen) een feit.
Op dergelijke feiten is Hella S. Haasse in haar gehele werk uit. Meesterlijk heeft zij bijvoorbeeld de monsters in de tuinen van Bomarzo geduid. Zij kan niet zonder interpretatie leven, wat wil zeggen dat zij pas schrijvend echt bestaat.
Deze overtuigende en animerende drang tot interpreterend vertellen en uitbeelden en het rotsvaste vertrouwen dat zij in de kracht van de verbeelding stelt, maken haar vermoedelijk tot de populaire modernistische schrijfster die zij in deze naar verluidt postmodernistische tijd is. Haasse's standpunt rechtvaardigt zichzelf telkens weer, ook in 'Zwanen schieten', haar jongste, deels autobiografische, geschrift, dat niet alleen op zichzelf, maar vooral ook in het perspectief van haar andere werk, 'Zelfportret als legkaart' en 'Een handvol achtergrond', interessant is.
Het boekje begint met een overpeinzing vooraf, die achteraf bezien alle ingrediënten bevat die deel zullen uitmaken van het batikpatroon dat volgt. Centraal daarin staan een vanuit de trein waargenomen eenzame boogschutter in een woud en, veel later, een dode, aangeschoten zwaan langs de slootkant. “Tussen hem en de dode zwaan bestond een verband, buiten de gewone orde der dingen.” Dit is een typisch Haasse-zinnetje, het zet de verbeelding in gang, want die alleen kan dat veronderstelde verband waarmaken. “Hoe het beeld van de boogschutter te rijmen met dat van de zwaan?”
Voor een deel is 'Zwanen schieten' een uitbreiding van Haasse's autobiografie, vanzelfsprekend met de nodige veronderstellingen en overwegingen. Zij traceert haar voorgeslacht, op grond van eigen herinneringen en verhalen van anderen, en natuurlijk op grond van documenten. Uitgangspunt is een voorwerpje dat als een balboekje moet worden beschouwd, “het gekroonde zilveren balboekje met de zwaan”, een geschenk van haar moeder die het zelf weer van haar moeder had gekregen. Haasse: “Mijn leven wordt - werd altijd - beheerst door wat ik niet weet, maar buiten mijn gezichtskring, mijn bereik, als tantaliserend ervaar.”
Familiegeheimen, soms onthuld, soms ook geheim gebleven, geven aan haar relaas de spanning die hoe dan ook kleeft aan een dergelijk voorouderlijk onderzoek. De historische belangstelling, ook voor de levens en karakters van diegenen uit wie men is voortgekomen, maakt deel uit van de kern van Haasse's schrijverschap. Prachtige compacte portretten levert zij van haar ouders en grootouders, ook in onderlinge relatie en in verband met zichzelf, haar kinderen en kleinkinderen. Het is mooi om te lezen hoe een subtiel, maar beslist, gebruik van het idee van erfelijkheid tot zulke beschrijvende inzichten kan leiden:
“De wezensgesteldheden van mijn twee grootmoeders zijn, zo lijkt het me, de polen waartussen mijn ik zich beweegt. Van de ene heb ik drang tot verandering (in de verbeelding wanneer het niet anders kan), het uithoudingsvermogen, nodig om een gesteld doel te bereiken en de gave om, in onaangename of onthutsende situaties, aan mijzelf en aan wat mij overkomt een hilarische kant te ontdekken. Van de andere de neiging om me terug te trekken in een innerlijk domein, een koel klimaat van luciditeit, illusieloosheid.”
“Het uitgesproken sensuele temperament van mijn moeders moeder, dat ik in ruime mate bezit, werd altijd geremd, getemperd door de instinctieve hang naar terughoudendheid, die ik geërfd heb van mijn grootmoeder van vaderskant. Het ene vuurt me aan, maakt me toegankelijk voor kanten van het leven waarvoor ik anders nooit begrip had kunnen opbrengen, het andere dwingt me tot reserve, tot afstand nemen van wat me al te heftig in beroering brengt. Aan geen van beide wezensgesteldheden heb ik me ooit met huid en haar, hart en ziel kunnen overgeven. Als één van de twee - tijdelijk - overheerst, blijft de andere kalm observerend, of met uitdagend commentaar aanwezig. Die innerlijke tegenstrijdigheid leidt tot een blokkade, tot onvermogen gevoelens te uiten, tenzij indirect, in verzonnen verhalen over bedachte personages, of door identificatie met leven en lot van mensen die ik heb waargenomen in de werkelijkheid nu en hier, of gevonden in de geschiedenis.”
Die laatste zin legt iets bloot van wat Haasse tot het schrijven van haar werk drijft. Ook in 'Zwanen schieten' is de historische belangstelling verweven met de verzonnen geschiedenis, met de fantasie op basis van niet-weten, de verbeelding kortom. Naast een portret van haar in Australië woonachtige broer, geeft Haasse in verhaalvorm een verbeelding van hem, hij heet dan Jason en is inderdaad iemand op zoek is naar een soort Gulden Vlies.
In dit verhaal speelt het zwaanmotief en wat daarmee samenhangt - de schutter, Ludwig II van Beieren, wit en zwart, afkomst, grensoverschrijding en nog veel meer - een dominerende rol, maar dat is eigenlijk het hele boek door het geval. Zwanen van zeer verscheiden aard, bij voorbeeld op een gevelsteen of gewoon drijvend in de Prinsengracht, bevolken dit boek en bij elkaar en in samenhang beelden ze iets uit dat niet in een paar woorden valt samen te vatten, maar dat door middel van alle woorden van 'Zwanen schieten' wordt uitgedrukt. Overigens eindigt dit boek niet met antwoorden, maar met vragen:
“Onverklaarbaar blijft de conjunctie tussen de boogschutter in het Woud van Halatte en de getroffen zwaan vijfhonderd kilometer verder in een weiland tussen Den Haag en Leiden. Belichaamt de zwaan - blijkbaar een imago dat tegenstrijdige en onuitsprekelijke roerselen in mij opwekt - het bij uitstek kwetsbare deel van mijzelf, het ik dat verhalen moet verzinnen, om deel te hebben aan de werkelijkheid? Zelfs van het echt gebeurde kan het geen verslag uitbrengen zonder fabuleren. Wat blijft er over, wanneer de onderzoekende ordenende geest met goedgerichte pijlen de gevleugelde verbeelding te lijf gaat?”
De laatste vraag lijkt de kracht der verbeelding in twijfel te willen trekken, maar ik vat haar toch liever op als bewijs van het bestaansrecht van de verbeelding, hoe kwetsbaar die ook is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.