*

 

Nederland zelfs nog saaier dan Singapore

GERTJAN VINCENT − 03/10/97, 00:00

recensie De jaren negentig zullen vermoedelijk de literatuurgeschiedenis ingaan als het decennium van de multiculturele schrijvers. Het aantal auteurs met een dergelijke achtergrond is dermate explosief gestegen, dat je gerust van een trend kunt spreken.

In veel opzichten heeft dat geleid tot een vitale injectie van de westerse literatuur: niet alleen thematisch, maar ook taalkundig doorbreken ze bestaande verwachtingspatronen en zorgen daarmee voor de broodnodige vernieuwende impulsen.

De keerzijde van de medaille is dat uitgevers, benauwd om de boot te missen, af en toe geneigd zijn om jonge debutanten op de markt te brengen, die eerder op hun culturele achtergrond dan op hun schrijftalent geselecteerd lijken te zijn. Een korte-termijnpolitiek die fnuikend is voor de schrijver in kwestie en die bovendien het publiek huiverig maakt voor de zoveelste met veel tamtam aangekondigde exotische verrassing.

Het was dan ook niet zonder reserve dat ik begon aan 'Foreign bodies', in het Nederlands verschenen onder de titel 'Vreemd lichaam'. Het is het debuut van de pas 22-jarige Hwee Hwee Tan, geboren in Singapore, op haar vijftiende naar Nederland gekomen en drie jaar later naar Engeland verhuisd om zich in Oxford te bekwamen in de letteren. Na twee pagina's moest ik me toch gewonnen geven.

'Vreemd lichaam' is thematisch een kakelbonte roman, bijeengehouden door een detective-story waarin Andy, een jonge Engelsman, neergestreken in Singapore op zoek naar werk, gearresteerd wordt vanwege het gokken op voetbalwestrijden. Wat in zijn vaderland de gewoonste zaak van de wereld is, blijkt in Singapore een misdrijf waarvoor hij vijf jaar de bak in kan draaien. Met behulp van Mei, een advocate en de eigenlijke hoofdpersoon van het verhaal, en Eugene, een amateur-speurder - Singaporezen die Andy in Engeland heeft leren kennen - probeert hij zijn onschuld te bewijzen.

Die triviale verhaallijn is voor Tan niet meer dan een kapstok om een aantal heel wat minder oppervlakkige onderwerpen aan op te hangen. De titel van haar roman verwijst daar ook naar: “Sla geen acht op wat je ziet aan de buitenkant”, zegt Mei, “Dit is het verhaal (. . .) van de vreemde lichamen in onszelf.”

Het is een beeldspraak die op allerlei niveaus wordt doorgevoerd: haar grootvader sterft aan een visgraat die zijn hartkamer doorboort, maar Mei's eigen 'vreemde lichaam' blijkt van een andere orde: de flarden van haar herinneringen zijn als concentrische cirkels, die de lezer onontkoombaar leiden tot de traumatische gebeurtenis die haar leven getekend heeft: de verkrachting op vijfjarige leeftijd door haar vader.

Een ander belangrijk thema is de culturele verwarring waar Mei aan ten prooi valt. Thuis groeit ze op met de traditie van de taoïstische rituelen, maar als kind van haar tijd is ze meer geïnteresseerd in MTV en computerspelletjes. Haar geboortestad ervaart ze als een gevangenis. De maniakale behoefte aan orde van de autoriteiten - 'Het straatvuil in Singapore heeft een levensverwachting van 30 seconden' - en de keiharde wetten die daaruit voortvloeien en waarvan Andy het slachtoffer dreigt te worden, benauwen haar.

Haar jeugdvriend Eugene zoekt zijn heil eerst in Nederland: “Als ik daar eenmaal was, zou mijn leven bestaan uit rare en spannende avonturen: dekking zoeken achter molens, peddelen in een gracht, moordenaars achtervolgen door mistige straten met kinderkopjes. Maar het onmogelijke bleek waar, Nederland was zelfs nog saaier dan Singapore.”

Mei vertrekt naar Engeland om er te gaan studeren en dompelt zich onder in de populaire cultuur. Dat zij dankzij een mystieke ervaring het Licht ziet, en zich tot het christendom bekeert, is opnieuw een verrassende wending in een roman die door al die ontwikkelingen wel wat topzwaar geworden is. Dat ook Andy tot twee keer toe getroffen wordt door een mystieke ontmoeting die veel weg heeft van wat Paulus op weg naar Damascus is overkomen, vraagt wel erg veel van het inlevingsvermogen van de lezer.

Het is verleidelijk om de drie personages uit het verhaal als afsplitsingen van de schrijfster zelf te zien: Andy, de begaafde letterenstudent die bovendien verslaafd is aan het Engelse voetbal - Tan is een hartstochtelijke fan van Everton - Eugene, de nieuwsgierige speurneus en Mei, het meisje dat zich op veilige afstand van Singapore probeert te ontworstelen aan de verstikkende invloed van haar familie. Het aantal spectacualire bekeringen zou daardoor tot acceptabele proporties kunnen worden teruggebracht.

Die combinatie van profane en spirituele elementen laat, ondanks een dappere poging van Tan om ze in elkaar te laten overlopen, een wat onevenwichtige indruk achter. Dat ik het desondanks een geslaagd verhaal vind, heeft alles te maken met de sprankelende stijl en de onweerstaanbare humor waarmee Tan haar personages ten tonele voert. De schrijfster mag zich dan inhoudelijk wat vergalopperen, ze doet dat met zoveel bravoure dat je het haar onmiddellijk vergeeft. Het eigentijdse ritme aan de roman zorgt er in ieder geval voor, dat je dit merkwaardige debuut in één ruk uitleest.

mailIcon print |