*

 

Baldadig, stout, lekker doen wat niet mag. Dat wordt hommeles, altijd

INEZ VAN EIJK − 03/03/95, 00:00

recensie Maria Stahlie: Het beest met de twee ruggen. Prometheus, Amsterdam; 244 blz. - ¿ 29,90.

De vrouw kijkt afwisselend met moederlijke en met wellustige vertedering. Bewonderenswaardig is bovendien de kuise, bijna preutse manier, waarop Stahlie de liefdesdaad beschrijft en benoemt. Zo heeft ze het over het 'wrijven van elkanders spek', afkomstig uit 'Gargantua en Pantagruel' van Rabelais: “Dikwijls speelden ze samen het beest met de twee ruggen, vrolijk elkanders spek wrijvend . . .”

De achtendertig jaar oude Maud Labeur gaat met Martin, de kleinzoon van haar minnaar, naar het huis dat haar familie bezit in het 'Land van Rabelais', de Loirestreek. Zij is van plan daar een essay te schrijven maar opvlammende begeerte voor de achttienjarige Martin houdt haar behoorlijk van haar werk af.

De roman is opgebouwd uit Mauds notities over de gebeurtenissen, haar commentaar daarop en haar strijd tegen de passie voor Martin, in wie ze zelfs een vijand gaat zien.

'Het beest' is het zesde boek van Maria Stahlie. Het eerste werk dat ik van haar las was de verhalenbundel 'In de geest van de Monadini's', in feite haar derde boek (1989). Wat mij daarin meteen trof was de luchtige gekte waarin haar personages zich bewegen.

Ze zijn als mensen herkenbaar, hun realiteit is niet zo heel anders dan die waarin iedereen zo'n beetje meent te verkeren: ze doen boodschappen, zijn pizzakoerier, journalist, schoolkind, gaan op reis, telefoneren, eten, slapen.

Maar op cruciale momenten verliezen ze het contact met de werkelijkheid, wijken ze af van het patroon, verdwijnen ze, duiken ze van een balkonnetje; kortom, gedragen ze zich onverantwoordelijk.

Nu hebben Maria Stahlie's romanpersonen ook een dusdanig rijke verbeelding dat het moeilijk is daar weerstand aan te bieden. Als je van alles kunt bedenken, ben je wel gek als je niet aan op z'n minst een van die fantasieën toegeeft. Door hem te doen geloven dat alles in principe kan, zet Stahlie de lezer op het verkeerde been, zodat hij zijn evenwicht verliest als de hoofdpersoon zich tamelijk herkenbaar blijkt te gedragen.

In 'De vlinderplaag' bij voorbeeld, zint een woedende Jim Labeur op wraak terwijl hij zit te wachten op de directrice van de filmacademie. Ze wil hem niet als student toelaten en hij wil haar eens goed te pakken nemen.

“Weet u wat ramenonzen is?”, vraagt Jim de lezer. “Ramenonzen? Op de tafel schijten en er dan met je armen door plonzen!”

Vervolgens gooit hij haar paperassen door elkaar, legt een knoop in de mouwen van haar jack en spuugt in het mondstuk van haar telefoon. Het vertoon van machteloosheid waarmee die wraakneming wordt gerealiseerd, geeft aardig weer hoe Stahlie omgaat met het menselijk tekort.

Het aantrekkelijke van haar werk ligt vooral in de luchtige en ironische benadering van eenzaamheid, misverstand en onbegrip. Haar personages doen oprecht hun best het hoofd boven water te houden, ze proberen manmoedig het noodlot te bezweren.

Zoals het kind Maud Labeur in 'De sterfzonde of de ingebeelde dode', dat 's nachts een meertje overzwemt om haar aangekondigde dood in de vorm van een hartkwaal af te wenden. En juist omdat ze zo dwangmatig het stuur zelf ter hand nemen, maken ze helaas ook vaak verkeerde keuzes.

Dat de handel en wandel van een romanpersonage bovendien op een andere wijze wordt bestierd dan die van echte mensen is een machtspositie die Maria Stahlie met verve uitspeelt. Op verschillende manieren confronteert ze haar helden met de betrekkelijkheid van hun bestaan. Zo voert ze zichzelf in haar boeken op als de schrijfster Maria Stahlie. In 'Het beest' als een schrijvend nichtje van wie vijf boeken - ongelezen - in de kast staan.

Bovendien maakt ze duidelijk dat haar helden een marionettenbestaan leiden door hun in verschillende romans dezelfde namen (Jim Labeur, Maud Labeur) te geven terwijl ze binnen die romanwerkelijkheid niets met elkaar te maken hebben. Wèl in de binnenwereld van de schrijver, dat is duidelijk.

Stahlie gunt haar personages hun eigen fantasiewereld, maar zij bepaalt hoever ze kunnen gaan; ze beschermt en verraadt hen naar willekeur. Maud Labeur moet niet denken dat ze de zaak in de hand heeft; er is een onzichtbare alom aanwezige schrijver en die staat toe of ze geneest van haar begeerte of zich nog dieper in de nesten werkt. De Maud Labeur in 'Het beest' creëert een extra dubbele bodem door zelf ook te schrijven en te proberen Martin aan háár verbeelding te onderwerpen.

We weten weliswaar dat elk boek ontsproten is aan iemands fantasie, maar zelden speelt een auteur die macht zo baldadig uit als Maria Stahlie. Baldadig, stout, lekker doen wat niet mag met de rationele rechtvaardiging van volwassenen en de onverantwoordelijkheid van kinderen.

Dat wordt hommeles, altijd.

mailIcon print |