*

 

Waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets?

HANS DIJKHUIS − 24/01/98, 00:00

recensie Goed nieuws voor wie altijd al een boek van Martin Heidegger heeft willen lezen maar nooit zover gekomen is. U krijgt nu de kans dit waagstuk te volbrengen, dankzij de Inleiding in de metafysica, de vertaling van een collegetekst die door Heidegger zelf later als boek werd gepubliceerd. Een leesbaar boek, maar dat is een betrekkelijk begrip. Het juichende 'bijzonder leesbaar' van de omslagtekst wordt in de inleiding tot de vertaling al tot 'vrij leesbaar' afgezwakt.

Laten we het erop houden dat het boek een stuk leesbaarder is dan Sein und Zeit, Heideggers beroemdste werk, dat dit jaar in vertaling verschijnt. Je herkent de geduldige toon waarop de professor (in 1935) aan studenten zijn denkbeelden ontvouwde.

Inleiding in de metafysica is ook minder doorspekt met de typisch heideggeriaanse zinswendingen en woordconstructies, die zo vaak spelen met de eigenaardigheden van de Duitse taal. Door de, overigens goede, vertaling gaat de magie er een beetje af, zoals een Engelstalige popsong in ver-taling vaak banaler klinkt. Maar dat kan geen kwaad, het gaat om de denkbeelden, niet om de formules waarmee ze worden verwoord.

Anders dan de titel suggereert is het boek geen algemene inleiding in de metafysica maar veeleer een inleiding uit de traditionele metafysica, zoals vertaler Berghs opmerkt. Die traditionele metafysica, waarvan Plato en Aristoteles de grondleggers waren, heeft zich volgens Heidegger beziggehouden met de 'zijnden', de dingen of wezens die in de wereld bestaan, maar niet met het 'zijn' zelf. En om dat laatste dient het in de filosofie te gaan.

De 'vraag naar het zijn' was al het uitgangspunt van Sein und Zeit (1927), maar werd daar benaderd vanuit de bijzondere zijnswijze van het 'erzijn' (Dasein), die in feite leek samen te vallen met het menselijk bestaan. In Inleiding in de metafysica neemt Heidegger afstand van die benadering: de vraag naar het zijn zelf, als de 'grond' van het zijnde, staat nu centraal, en wordt benaderd aan de hand van een uitvoerige analyse van wat volgens hem de 'eerste van alle vragen' is: 'waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets'?

Toch kan ook hier het 'erzijn' niet buiten beschouwing blijven, want het is alleen de mens die, als sprekend en denkend wezen, de vraag naar het zijn kan stellen: “Met de vraag naar het wezen van het zijn is de vraag wie de mens is nauw verbonden.”

Als Heidegger spreekt van de 'vergetelheid' waarin de vraag naar het zijn is geraakt, maakt hij duidelijk dat die vraag ooit al had geleefd. Hij doelt niet op de christelijke wijsbegeerte, waarin God gelijk werd gesteld met het Zijn, want het gaat niet om een religieuze maar veeleer om een wijsgerig-poëtische vraag. Hij kijkt verder terug in het verleden, naar de Griekse begindagen van de westerse beschaving, waar volgens hem de vraag naar het zijn al werd gesteld, door filosofen als Heraclitus en Parmenides, en ook door dichters en tragedieschrijvers.

Heideggers analyse van oude teksten was al omstreden toen hij zijn college gaf, getuige zijn eigen verwijzing naar “de reeds spreekwoordelijk geworden gewelddadigheid en eenzijdigheid van Heideggers wijze van interpreteren”. Maar ondanks zijn onmiskenbare neiging tot hineininterpretieren dwingt hij zijn lezers vraagtekens te zetten bij de gangbare - en volgens hem “grondig vervalste” - visie op de Griekse cultuur.

Hij wil afrekenen met de gedachte dat het begin van de westerse beschavingsgeschiedenis primitief en onbeholpen was. Juist toen zat de mens nog op het goede spoor. Daarna is de grote 'vervlakking' ingetreden, doordat de louter rationele, berekenende kijk op de wereld de overhand kreeg. De vraag naar het zijn werd vergeten door de al te grote preoccupatie met de zijnden.

In deze 'zijnshistorische' beschouwingen van Heidegger ligt dus een fundamentele kritiek op de hele westerse beschaving besloten. Heidegger wil zich niet eens meer een pessimist noemen, daarvoor is het “geestelijk verval van de aarde” al te ver voortgeschreden.

West-Europa, het aloude avondland, is beklemd geraakt tussen grootmachten die al reddeloos verloren zijn. Rusland en Amerika bieden beide de aanblik van “dezelfde troosteloze razernij van de ontketende techniek en van de grenzeloze organisatie van de gemiddelde mens”. De enige hoop zag Heidegger, twee jaar nadat de nationaal-socialisten aan de macht waren gekomen, in het Duitse volk.

In de meest beruchte passage uit het boek spreekt hij van “de innerlijke waarheid en grootsheid” van de nationaal-socialistische beweging, die door de bestaande nazi-filosofie niet wordt begrepen. Na de oorlog vergoelijkte hij die uitspraak met de opmerking: “Men moest die lui hier en daar een brokje toegooien, om voor zichzelf de vrijheid van leer en van spreken te bewaren.”

Maar zo makkelijk komt hij er niet van af. Heidegger liet zich, zoals zoveel intellectuelen van zijn tijd, in de beginjaren van de nazi-beweging begoochelen door haar elan, en hoopte dat ze zou leiden tot een radicale verandering van de vervlakte beschaving. Ook uit andere passages in het boek spreekt de verwachting dat het Duitse volk de grootsheid van de vroeg-Griekse beschaving zou doen herleven. Overbodig te zeggen dat Hitler en consorten heel wat minder verheven doelstellingen voor ogen hadden.

Het belang van het boek gaat deze historische context ver te boven, zoals blijkt uit de grote invloed die Heideggers denken heeft gehad op de wijsbegeerte. Inleiding in de metafysica is in de eerste plaats een fascinerende, zij het bij vlagen erg abstracte, filosofische verhandeling, een grondige afrekening met de traditionele metafysica en de verkenning van een nieuwe manier van denken.

Na lezing van het boek voelde ik een lichte teleurstelling, maar ik had beter moeten weten. Op de vraag der vragen is geen pasklaar antwoord te vinden; het gaat Heidegger om het uitdiepen en verhelderen van die vraag. Het wereldraadsel wordt ook in dit boek niet opgelost.

mailIcon print |