recensie Christine D'haen: Morgane. Querido, Amsterdam; 54 blz. - ¿ 27,50.
Het antwoord kan alleen maar luiden: Christine D'haen. Beide gedichten zijn afkomstig uit haar nieuwste bundel, 'Morgane'. Net als haar vorige bundels oogt ook deze weer als een uitstalkast van wat de mensheid door de eeuwen heen aan cultuur heeft bijeengegaard.
D'haen schrijft Poëzie met een grote P, dat wil zeggen poëzie die bewust aankoerst op het verhevene en alomvattende. Ieder gedicht van haar is een poging het hier en nu te duiden in een extreem opgerekt kader, waarin de mythologieën en culturen van alle tijden en continenten elkaar omspelen. Uiteindelijk is het haar niet om dat hier en nu, maar om het overal en altijd te doen. Om de eeuwige waarden dus.
Meestal herken je de bewust hooggestemde poëzie al meteen aan het veelvuldig gebruik van hoofdletters. In 'Morgane' duiken ze dan ook frequent op: 'Tijd', 'Geest', 'Slaap', 'Iet' en 'Niet' - voor minder dan een kapitaal doen deze kernbegrippen het niet. Typerend, zij het niet exclusief typerend, voor dit soort poëzie is ook het besef dat het hooggestemde ideaal in wezen onverwoordbaar is. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, waarin de muze wordt opgevoerd als een blinde zieneres. Van haar wordt gezegd dat zij 'voorwoordelijk' droomt en dat in haar keel 'klemt (. . .) onuitbaar overtal'. “Onhoorbaar, ongezien haar spraak van puur / cerebrum in formules van azuur.”
Onhoorbaar en onuitbaar: en toch zal de dichter er alles aan doen om dit op schrift te krijgen. Hoe? In elk geval speelt inkeer hierbij een rol. Dit zegt D'haen ook met zoveel woorden in een als zelfportret op te vatten gedicht uit de afdeling 'Tien dizains', waarin zij zich onder meer identificeert met de middeleeuwse kluizenaars en dichteres Suster Bertken:
Dwing tegelijk, dat alles hij verbindt, uw geest sterk inwaarts, voor de wereld blind.
'Morgane' is een voor D'haens doen nogal geserreerde bundel. De gepassioneerde barok van weleer lijkt wat geluwd. Vormvastheid, strenge composities, eindrijm en een gekunstelde zinsbouw geven de toon aan. De erudiete veelzijdigheid van D'haens repertoire maakt dat je wel echt voor haar poëzie moet gaan zitten.
Net als voorheen heeft zij achterin de bundel een uitgebreid hoofdstuk met aantekeningen opgenomen. Het veelgehoorde verwijt dat haar gedichten kennelijk niet op eigen benen kunnen staan, lijkt mij niet terecht. De kwestie is veeleer dat de moderne lezer, doorgaans beter thuis in de wereld van Internet dan in die van, om maar wat te noemen, de klassieke en bijbelse mythologie, in deze context nauwelijks nog op eigen benen kan staan. Meestal komt D'haens commentaar de gedichten ten goede. Zo wint een gedicht als 'Intertextualiteit' voor de niet in Shakespeare en Keats geschoolde lezer enorm aan zeggingskracht dankzij de aantekening hierbij.
D'haen vertelt hierin dat de geest van Hamlets vader, wanneer hij Hamlet opdraagt zijn dood te wreken, onder meer de woorden 'Lethe wharf' gebruikt ('de oever van de Lethe', de rivier der vergetelheid in de onderwereld). Twee eeuwen later, aldus D'haen, klinkt een echo hiervan door in de uitdrukking 'Lethe wards' ('naar de Lethe') in Keats' vermaarde 'Ode to a Nightingale'. En er is meer dat erop wijst dat Keats' gedicht weleens een soort antwoord op de Hamlet zou kunnen zijn. Tegenover het tragische, tegenspartelende doodsbesef van Hamlet stelt Keats de twinkelerende verlokking van de dood zoals die opklinkt uit het keeltje van zijn nachtegaal. Dit nogal omslachtige commentaar maakt een ragfijne realisatie van het gedicht mogelijk. Let vooral op de prachtige overgang van octaaf (Hamlet) naar sextet (Nightingale):
Van Lethe wharf brak óp zijn Vaders Geest, zijn kroon geroofd, zacht lichaam zwartgebrand, zijn koningin beslapend 't pralend Beest, gevreesder doem het gindse dodenland:
'Tedere Prins, zeg leven snel vaarwel, uw goed, uw liefste, moeder, vriend, gezel, uw spel en studie veeg van uw tablet, dood vadermoord en moederlust, mijn wet.' -
En zink in halfslaap, zingt de nachtegaal, bloedende long en zoete dodenwijn, droom, rozen, maan en harte-liefdepijn,
in bloemennacht de laatste ademhaal, de nachtegaal verlokt u naar zijn sfeer, in 't al-omtoverend lied Lethe-wards neer.
Ieder gedicht in deze bundel zit propvol betekenis, 'culturele referenties' en persoonlijke associaties. D'haen gaat daarin weleens te ver. Zij past haar credo 'Alles is in alles' dan zo rigide toe dat haar versregels zich op een verkeerde manier 'verdichten' en incommunicabel worden.
Maar dat is nu eenmaal het lot van de zegsvrouwe van een muze wier keel klemt van een 'onuitbaar overtal'. Die muze is blind en haar geestelijk uitzicht voor de lezer soms letterlijk verblindend.
Maar ook waar je het tijdens het lezen even niet meer ziet, je wellicht zelfs ergert aan het constant verhevene van D'haens overigens uiterst bestudeerde woord en gebaar, moet je toch erkennen: deze Poëzie verdient haar hoofdletter P met glans.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.