*

 

Tevreden tussen de mensapen op Borneo/Galdikas had haar gouden jaren in de jungle. Haar ex-man: Nou, ik niet.

BAS DEN HOND − 23/01/97, 00:00

recensie 'De Spiegel van het Paradijs', Atlas, ¿ 49,90.

Ik was gebleven bij het hoofdstuk waarin Galdikas een ongepland kind krijgt en groot gaat brengen, midden in de jungle, in het onvoorstelbaar primitieve Camp Leaky, het onderzoekscentrum van waaruit ze dag in, dag uit orang-oetangs naloopt. Wat een jeugd had die Binti! Zijn speelkameraadjes waren oranje mensapen, bevrijd uit het huisdierschap en bestemd voor het regenwoud: “Princess was een deugniet van drie, die het heerlijk vond om kussens open te scheuren en melk tegen de muren te spetteren, maar al snel werd ze Binti's beste vriendin. Binti en Princess kropen samen over de vloer, omhelsden elkaar, betastten en kietelden elkaar met handen en voeten, duwden en trokken aan elkaar en beten elkaar speels. Op een gedenkwaardige middag vonden Princess en Binti samen met een juveniel mannetje dat 'Pola' heette een zak meel in de eetzaal, voordat de kok of ik hen in de gaten had. Ik keek op en overal lag meel. Alledrie rolden ze over de vloer en gooiden handenvol meel naar elkaar. Onder het meel zagen ze eruit als bepoederde geesten.”

Ondertussen in Leiden, in het kantoor van Pro Primates, komt Spruit met een kop thee aanzetten. En vraagt aan de jongen achter de computer: “Binti, jij nog thee?”

Wat de lezer van het, goed vertaalde, boek van Galdikas vooral opvalt is de extreme ongevoeligheid van deze nu vijftigjarige onderzoekster voor de ontberingen die haar roeping met zich meebracht. Ze beschrijft het allemaal wel: de insecten, de bloedzuigers, de zweren, de malaria, het moeras waar zij en haar man Rod zich dag na dag doorheen worstelden op zoek naar de schuwe mensapen; het 's morgens aandoen van kleren die wel schoon zijn, maar ook nog kletsnat; de uitputting. Om nog maar te zwijgen van de lieve last van een orang-oetangjong dat je geadopteerd hebt en dat zich daarom maandenlang constant aan je lichaam klemt en tussen jou en je man slaapt; een man waaraan het dier trouwens zo'n bloedhekel heeft, dat het het op een piesen zet zodra hij in de buurt komt. Maar geen moment krijgt de lezer de indruk dat Galdikas dat allemaal écht erg vond, nergens staat dat ze wel eens dacht: ik ga terug naar huis.

“Dat dacht ik ook nooit. Het was mijn werk, mijn leven. Ik heb later nog wel eens tegen Rod gezegd dat dat voor mij de gouden jaren waren. Nou, zei hij toen: voor mij niet.”

Ze is inmiddels gescheiden van de vader van Binti. Hij ging het computervak in, zij trouwde na enige tijd met een Dajak en is vast van plan voor altijd het natuurreservaat Tanjung Puting en zijn orang-oetangs trouw te blijven.

Galdikas' levenslange relatie met de orang-oetang begon in ernst toen ze werd uitverkoren door Louis Leaky, de beroemde antropoloog die de schatkamer van het menselijke verleden in de Olduvaikloof in Tanzania ontgon. Leaky zocht het antwoord op het raadsel van de menselijke oorsprong behalve bij zijn fossielen ook bij de mensapen: bij hen zijn immers net weer andere eigenschappen van onze gemeenschappelijke voorouder bewaard dan bij ons. Leaky vaardigde drie vrouwen af: Jane Goodall naar de chimpansee, Dian Fossey naar de berggorilla en de Litouws-Canadese Biruté Galdikas naar de orang-oetang.

Maar Galdikas koos ook Leaky uit, als haar grote kans om een dier nader te komen dat haar sinds haar jeugd fascineerde. “Dat kwam door hun ogen. Al lang voor ik mijn eerste levende orang-oetang zag, intrigeerden die me op foto's. Ze hebben wit rond de iris, en dat is zeldzaam. De jongen hebben van dat uitstaande oranje haar waardoor het net kleine Einsteins zijn. Daar is iets mee. . . en toen ik ze later in de dierentuin van Toronto zag, vond ik ze onvergelijkelijk veel fascinerender dan de andere mensapen. Ik had nooit chimpansees of gorilla's willen onderzoeken.”

“Aan die ogen kan ik zien hoe met met een orang-oetan is. Ze zijn niet zo expressief als een mens, het is allemaal heel subtiel. Kleine veranderingen in de pupil, de wenkbrauwen, het tempo waarmee ze knipperen, daar moet je je op instellen. Daarom werden ze vroeger ook als gevaarlijk beschouwd: in een dierentuin kon een orang-oetang heel rustig in zijn kooi zitten en het volgende moment, 'zonder waarschuwing', de arm van een oppasser naar binnen trekken en afbijten. Maar ik was deze week in Artis en daar zag ik de oppasser zomaar de deur opendoen van een veertienjarig, dus bijna-volwassen mannetje, een enorm beest, en ik zag meteen dat die oppasser hem helemaal domineerde. Het was geen angst, maar hij had respect voor de man en we konden er rustig bijkomen.”

“Ik heb dat moeten leren zien. Bij mensen komt dat natuurlijk ook van pas. Ik zat laatst in een restaurant in Amsterdam te eten en daar waren twee zakenpartners bij, een man en een vrouw met verschillende namen, die niet naast elkaar gingen zitten en van wie ik toch het gevoel kreeg dat ze getrouwd waren. Ik vroeg dat zachtjes aan een tafelgenoot en die was stomverbaasd, bij zakelijke ontmoetingen hield dat stel uit principe stil dat ze een echtpaar waren. Maar ik denk dat ik het aan de ogen zag, een ondersteunend soort blikken die ze wisselden, zoiets.”

Niet bekend

Orang-oetangs zijn volgens haar veel slimmer dan ze lijken. “Dat moet wel, door hun eetpatroon. Ze eten vruchten die schaars zijn, ze groeien wijd verspreid door het woud, in honderden soorten. Ze moeten een heel gedetailleerd beeld hebben van wat waar groeit en hoe rijp het ondertussen moet zijn. Zelf had ik dat maar een enkele keer door: een wijfje vertrok opeens pal naar het zuiden en ik wist opeens zeker dat ze naar een bepaalde doerianboom ging waar ze maanden niet geweest was, twee kilometer verderop.”

Hun domme imago hebben de orang-oetangs te danken aan een voor mensen saaie leefwijze: traag trekken ze door de bomen, doorgaans op hun eentje of als moeder-kind paar. Een enkele keer gaan wat 'vrienden' een tijdje met elkaar om, wijfjes en halfvolwassen mannetjes. De volwassen mannetjes zoeken alleen soortgenoten op waarbij een kind te verwekken valt, en dat is dus niet vaak. In het boek vergelijkt Galdikas hen bewonderend met sumo-worstelaars: “Ze geven hun mentale en fysieke vermogens volop rust om voorbereid te zijn op de zeldzame gevechten die hen in staat stellen hun lief te verdedigen. Mannetjes kunnen het zich niet permitteren om hun tijd of energie te verdoen. In plaats daarvan zijn ze welhaast meditatief in hun kalmte.”

Galdikas is er zeker van: het paradijs, de mythische plek waar de mens ontstond en in volmaakte harmonie met zichzelf en zijn omgeving leefde, bestaat echt: “Voor oerang-oetangs. Mits ze in een oerwoud leven dat de mens nog niet is begonnen te kappen. Ze brengen hun dagen door met het volgen van de vruchten; ze hebben geen vijanden; ze zijn alleen en zijn dus niet de hele dag bezig met hun sociale rangorde, en als ze elkaar eens tegenkomen, zitten ze gewoon lekker in elkaars buurt te eten. Voor de mens heeft het paradijs nooit bestaan. Wij zijn actief en agressief en vooral: we zijn nooit, nooit tevreden.”

mailIcon print |