recensie Hoe is het om in een heel groot land te wonen dat almaar niet vanzelfsprekend wil worden? Een land dat eeuwig een groots project blijft? In de Sovjet-Unie konden ze er tot 1991 over meepraten. Maar daar waren de mensen naast 'sovjet-burger' ook altijd nog Rus of Georgiër of Let. Toen sovjetburger-zijn niet meer kon, hadden ze die andere jas nog.
Pakistan kan, eeuwig onaf als het is, goed met wijlen de Sovjet-Unie vergeleken worden. Net als de USSR is het geboren uit een mengsel van geweld en utopie. Ook in Pakistan moeten de mensen voor een beetje houvast meer en meer teruggrijpen op andere, oudere identiteiten: die van de nijvere familieman uit Punjab, de onverzettelijke Pathaan van de grens, de mystiek bevlogen landbouwer uit Sindh, of die van muhajir, vluchteling uit India.
De Amsterdamse antropoloog Oskar Verkaaik werkte - na eerder verblijf in 1993 en 1994 - in 1996-1997 een jaar in het oude centrum van de Pakistaanse stad Hyderabad. Hij maakte er een plantsoentje annex begraafplaats schoon, samen met een oude man, die zijn mentor en vriend werd. Verkaaik dook zo diep als de verhoudingen toelieten in de samenleving van de wijk Pakka Qila en schreef vervolgens een meeslepend proefschrift over 'Fun, violence and Islam: Migrants and Militants in Pakistan', dat binnenkort verschijnt bij de Princeton University Press.
Na de aanslagen op de Twin Towers - het proefschrift was klaar - borduurde Verkaaik er nog eens op voort en schreef in een opwelling 'een toegankelijk boek voor een breed publiek'. Hij ergerde zich aan de onwetendheid in het weinige dat er in Nederland over Pakistan en het vele dat er over de islam wordt beweerd, en dat leverde 'Sayyid Pakistani en de bruiloft van de dood' op.
'Sayyid Pakistani' is in zekere zin mislukt als bijdrage in het islam-debat in Nederland, omdat het niet polemiseert. De kracht van het boek is gelegen in ongeremde nieuwsgierigheid, in verfijning en nuancering. Het is daarom wel zeer gelukt als boek: wie veel wil weten over een ver land, zit ermee op rozen. Het komt niet vaak voor dat een Nederlandse veelweter zijn materiaal zo goed weet te presenteren als Verkaaik. Dat het hoog tijd is voor westerlingen om meer over Pakistan te weten (145 miljoen inwoners, enige tientallen atoomkoppen, nogal wat terroristen en veel vijanden), realiseert zelfs
George Bush zich, sinds 11 september.
De uitgever presenteert 'Sayyid Pakistani' op de achterflap ten onrechte als een 'reisroman'. Het léést als een roman, maar het ademt tegelijkertijd de precisie van het proefschrift. Het is uitstekend, vaak geestig geschreven. Verkaaik werd daar overigens bij geholpen door zijn Pakistaanse gesprekspartners, die allen op hun eigen manier liefhebbers blijken van het woord.
,,God geeft de mensen wat hen toekomt'', voegt een kwade Pathaan die met de buurt overhoop ligt Verkaaik toe. ,,'Wat komt de mensen toe?' - 'De overwinning' - 'Wat houdt dat in?' - 'Dat weet God alleen.' - 'Dus je weet helemaal niet waar je voor vecht, behalve dan voor de verlossing van je eigen angsten en je eigen gehechtheid aan het leven? ' - 'Wat is er anders om voor te vechten?' (...) Ik stond op. Ik vond Zakir even glibberig als hij mij.''
In vijf overzichtelijke hoofdstukken komen we erg veel te weten over Javed, de jongen die zich na een paar jaar 'lol' toch maar terugtrekt uit het straatgeweld en zijn tegenspeler Adil die dat niet doet en het niet na kan vertellen. Over Mazhar Sahib, de oude man, representant van de traditionele, nog niet ideologische islam van Zuid-Azië. We stuiten op de zeer soennietische taylor master Sayyid Pakistani, die zijn werkplaats in een verlaten tempel heeft en daar stiekem een achtergelaten Bhagavad Gita leest, omdat hij de vijanden, de hindoes, wel wil kennen. We spreken een op hoge leeftijd van modernisme en socialisme tot soefi-mystiek bekeerde politicus-geleerde (de enige persoon in het boek die in het echt niet bestaat, maar is samengesteld uit meerdere personen).
Eén bevolkingsgroep staat in het boek centraler dan andere. Het is de groep waar Verkaaiks proefschrift over gaat: die van de armen onder de muhajirs, de kleine ambachtslieden en handelaartjes onder de moslims die tussen 1947 en 1949 uit India naar het noordwesten vluchtten, naar wat Pakistan moest worden, het 'land van de zuiveren'. De muhajir is een goed prisma om het etnisch-religieuze landschap in Pakistan door te bekijken: muhajirs vinden dat hun Pakistaanse burgerschap - anders dan dat van mensen uit Punjab, Baluchistan, Sindh of de Pathaanse stamgebieden - wortelt in een groot offer. Zij hebben de graven van hun heiligen ('pirs') en hun dierbaren in India verlaten en daarmee hun tradities. Zoals Mohammed van het goddeloze Mekka naar het godvrezende Medina trok, zo verlieten zij hun geboortegrond om een nieuwe samenleving te bouwen, waarin iedereen islamiet en dus - in hun ogen - gelijk en vrij zou zijn.
Muhajirs zien zichzelf als 'super-Pakistanen', schrijft Verkaaik. Hebben zij niet écht gekozen voor een nieuw land, zonder kasten, met een islamistisch staatsbestel - wat dat ook moge wezen? De andere etnische groepen zien de muhajirs juist als 'nep-Pakistanen', ontwortelden, bekeerde Hindoes en bovendien 'analfabeten', domme sloebers. Waarmee de kasten langs de achterdeur alweer binnen zijn geslopen. De muhajirs verzamelden zich vooral in de miljoenensteden van Sindh, Karachi en Hyderabad, waar ze nu meer dan de helft van de bevolking uitmaken. In de tachtiger jaren begonnen arme muhajir-studenten een politieke partij, de MQM, die een onverwacht groot succes werd, maar uiteindelijk een steentje bijdroeg aan een explosie van etnisch geweld in Karachi en Hyderabad.
De agrarische Sindhi's om deze steden heen hebben een andere taal, een geheel andere traditie, en eigenlijk ook een andere islam, zoals ook de Pathanen een andere taal, een andere samenleving en andere islam hebben en dan zwijgen we maar van die uit Punjab of Baluchistan. En wie dit ingewikkeld vindt, zal onder de indruk zijn van het gemak waarmee Verkaaik de lezer een nog veel gelaagder en subtieler beeld voortovert, waarin zelf de kleinste deeltjes een eigen kleurtje krijgen.
Wie over de islam en Pakistan schrijft, ontkomt er niet aan met de V.S. Naipaul van 'Among the believers' vergeleken te worden. Naipaul dook zelf in de heilsverwachting die aan Pakistan ten grondslag lag, en kwam vervolgens boven in de desillusie die Pakistan zeker in de laatste vijfentwintig jaar in de greep heeft. Beklemmender kan niemand het beschrijven, ook omdat Naipaul zich geen moment verwijdert van zijn eigen, heel precieze waarnemingen. Verkaaik schrijft meer als buitenstaander, hoe nieuwsgierig ook. Hij registreert zonder oordeel, ook waar de opkomst van het geweld onder de lolzoekende muhajir-jeugd ter sprake komt. Verkaaik interesseert de hopeloosheid van de situatie minder dan de mensen die desondanks nijver bezig blijven fysiek en mentaal te overleven, ook als homo religiosus.
Het is niet alles, maar het is goed om te weten dat er in Pakistan mensen zijn die boeken schrijven waarin Pakistan een 'vergissing' wordt genoemd, gebaseerd op een intolerante religie, ook al zijn er ook die het fluitspelen bestrijden als on-islamitisch.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.