*

 

Steenachtige verhalen uit de ochtend van de beschaving

ROB SCHOUTEN − 23/02/02, 00:00

recensie Ik zal de enige lezer niet zijn die het bij het horen van de naam Gilgames als volgt vergaat: o ja, held van een beroemd oud epos, maar waar dat verhaal nu precies over gaat? Niettemin weet de meest recente vertaler van het Gilgames-epos in het Nederlands, Herman Vanstiphout, in zijn inleiding te spreken over een soort Gilgames-hype.

Vanstiphout noemt een aantal recente Gilgames-verwijzingen zoals de naam van een held uit een boek van Philip Roth 'Gil Gamesh', een Frans stripverhaal over Gilgames, John Gardners 'The Sunlight Dialogues' dat thema's en motieven uit het Gilgames-verhaal verwerkt.

Voor het Nederlands zou je daar bijvoorbeeld de dichtbundel Boghazkoy van Hans Vlek bij kunnen noemen, speelse, ongebruikelijke gedichten over het pre-homerische Klein-Azië. Maar een hype, nee dat is geloof ik toch wishful thinking van de assyrioloog. Daarvoor ervaren we het verhaal uit het oude Mesopotamië toch te weinig als iets eigens, als een grondslag van onze cultuur zoals bijvoorbeeld de Homerische en bijbelse verhalen dat wel zijn.

Bij de naam Gilgames moet ik denken aan de intimiderende stenen koppen van Assyrische koningen die in het British Museum te zien zijn, beelden uit een half-angstige droom, en de eindeloze strijdtonelen op ellenlange tabletten, volgekrast met commentaar in spijkerschrift: een even krachtige als vergane wereld.

Maar zo ver blijkt het Gilgames-epos, bedacht en doorverteld lang voordat jodendom, christendom en islam zich begonnen te roeren, helemaal niet van onze beschaving af te liggen. In wezen lijkt het op onze ontwikkelingsroman. Het gaat over een man, Gilgames, die in beeld komt als onverantwoordelijke puber en na de nodige zoektochten langzaam tot wijsheid komt.

Het verhaal werd, na een vermoedelijk millennia lange mondelinge geschiedenis en allerlei oerversies, rond 1100 v. Chr. gestandaardiseerd, en gaat in grote lijnen als volgt: de held Gilgames gaat in zijn jeugd in de stad Uruk als een jonge tiran te keer, neemt ieders vee af, probeert alle vrouwen te pakken. Om hem te temmen sturen de goden de natuurmens Enkidu, die Gilgames eerst bevecht maar vervolgens zijn beste vriend wordt. Samen ondernemen ze avontuurlijke tochten, gaan hout kappen in een gevaarlijk cederbos en doden het monster Humbaba.

Vanwege deze heldendaden wordt de godin Istar verliefd op Gilgames. Maar hij wijst haar af, waarna zij eerst de hemelstier op hem afstuurt, die hij doodt, en zich vervolgens wreekt door Enkidu te laten sterven. Door doodsvrees overmand trekt Gilgames vervolgens eenzaam over de aarde en zelfs tot op de bodem van de oceaan om aan de dood te ontsnappen. Op het eiland der zaligen vind hij Ut-napistim, die hem uitlegt dat het leven noodzakelijk eindig is. Hij wijst hem wel op een plant die verjongt. Maar als Gilgames die plukt, gaat een slang ermee vandoor.

Gilgames leert dat de mens niet aan zijn sterfelijkheid ontkomt, maar moet leren om van het dagelijks leven te genieten. Het Gilgames-epos is wel de babylonische Faust genoemd, omdat de centrale held zo'n onweerstaanbare drang vertoont om het bestaan van de mens te leren begrijpen en tot inzicht te komen. En dat is ook wat de hedendaagse lezer nog aanspreekt.

Wie door de steenachtige verhalen heenkijkt ziet een aanvankelijk overmoedige, later twijfelende held op weg naar zelfinzicht en zingeving. De mens in zijn grootheid maar vooral ook in zijn menselijk tekort. Cultuurhistorisch heeft het Gilgames-epos vooral indruk gemaakt als het eerste neergeschreven werk van de wereldliteratuur, een soort oer-epos waarvan allerlei andere verhalen uit diverse culturen afkomstig zouden zijn.

Zo vertoont het overeenkomsten met sommige geschiedenissen uit de Homerische epen maar vooral met de Griekse Alexander-roman. Ook vind je er volgens Vanstiphout oerversies van sommige verhalen uit Duizend-en-één-nacht in terug. Maar de meest frappante overeenkomsten betreffen toch wel die met sommige bijbelverhalen. Je kunt zelfs zeggen dat het Gilgames-epos een deel van zijn faam te danken heeft aan het feit dat het een versie van de zondvloed beschrijft, die tot in de details overeenkomt met het bijbelverhaal.

Ook hier bouwt iemand, Ut-napistim, een boot en laadt zijn hele bezit en alle dieren in. De storm komt, woedt zeven dagenlang, alle menselijk en dierlijk leven gaat verloren, dan strandt de ark op de berg Nimus: ,,Eén dag, en een tweede hield de berg Nimus de boot vast, onbeweeglijk; Een derde dag, en een vierde hield de berg Nimus de boot vast, onbeweeglijk, Een vijfde dag, en een zesde hield de berg Nimus de boot vast, onbeweeglijk. Maar toen de zevende dag aanbrak, Haalde ik een duif te voorschijn, en liet haar los. De duif vloog weg, maar keerde terug: Er was geen plaats om te landen, dus keerde ze weer naar mij. Ik haalde een zwaluw te voorschijn, en liet hem los. De zwaluw vloog weg, maar keerde terug: Er was geen plaats om te landen, dus keerde hij weer naar mij. Ik haalde een raaf te voorschijn, en liet hem los. De raaf vloog weg, en die zag hoe het water teruggetrokken was; Hij at, stapte heen en weer, poepte en kwam niet meer terug.''

De overeenkomsten zijn te groot om van toeval te spreken: het Gilgames-epos en het bijbelverhaal beschrijven ongetwijfeld dezelfde gebeurtenis. En zo treft men ook, zij het wat vagere, overeenkomsten aan tussen het verhaal van de vriendschap tussen Gilgames en Enkidu en die tussen David en Jonathan, terwijl het oproepen van de geest van Enkidu veel weg heeft van de geestesbezwering van de heks van Ensor voor koning Saul.

Ook in de latere grote cultuur-epen van het Westen, Dante's tocht naar de hel bijvoorbeeld, en de pogingen tot zelfverbetering van de reeds genoemde Faust lijken zulke sporen uit het verhaal van Gilgames mee te trillen. Of het Gilgames-verhaal ook werkelijk het epos is, waarvan alle volgende heldenverhalen aanwijsbaar afstammen, en dat ten grondslag zou liggen aan zowel de Ilias en Odyssee als het Oude Testament, is overigens de vraag. De vroegere, wat romantische gedachte dat er één zo'n centrale bron zou zijn, wordt door vrijwel niemand meer verdedigd.

De tekst die Vanstiphout biedt is verre van een soepele leestekst. Wie het uitsluitend om het verhaal gaat, kan beter terecht bij de samenvattingen in boeken over de grote mythologieën. Dit 'Epos van Gilgames' is een kritische editie, gebaseerd op de laatste wetenschappelijke bevindingen in de Assyriologie (overigens een lelijk bedreigde academische discipline, klaagt de vertaler onderweg).

Dat bemoeilijkt het lezen, maar geeft wel veel extra's. Alle lacunes en gissingen in de tekst worden aangeduid, en ook krijgt men de verschillende grondteksten en de talloze herhalingen waarvan de vertellers zich bedienden, onverkort te horen. Erg beeldend is de tekst niet, van uitwijdingen en tierelantijnen moet het Gilgames-verhaal het bepaald niet hebben. Maar dan zijn er wel weer voor ons gevoel op sommige momenten bepaald overdadige repetities, zoals op het moment dat Gilgames Ut-napistim bezoekt: ,,Toen hij één mijl had afgelegd was de duisterenis dik en er was geen licht, Zodat hij zelfs niet achterom kon kijken. Toen hij twee mijl had afgelegd was de duisterenis dik en er was geen licht, Zodat hij zelfs niet achterom kon kijken. Toen hij drie mijl had afgelegd was de duisterenis dik en er was geen licht, Zodat hij zelfs niet achterom kon kijken.'' Enzovoort tot aan de zevende mijl, waar de formulering begint te veranderen en langzaam het licht doorbreekt. Haast een primordiaal muzikaal effect. Het thema mag ons dan bekend voorkomen, de vormgeving heeft toch iets van heel ver voor onze tijd. Dat is natuurlijk ook precies wat de moderne lezer frappeert in het Gilgames-epos: het is oeroud en tijdloos tegelijk.

mailIcon print |