*

 

Poëzie met eierstokken

PETER DE BOER − 09/11/02, 00:00

recensie Het poëziedebuut van Francie van den Hurk, 'Naastenparade', riep in mij vanaf het eerste gedicht oude namen wakker. Du Perron, Greshoff en Elsschot, de gevoelvolle maar als het moet ook bikkelharde Vlaming. Op het eerste gezicht lijkt zo'n rijtje dode dichters misschien geen aanprijzing -ouderwets toch, van ver van de vorige eeuw?- maar so what?

Het waren immers, en dat geldt zelfs voor Greshoff, bepaald geen pruldichters. Zij waren prominente vertegenwoordigers van het anekdotisch realisme en tot op de dag van vandaag zien we dat genre zich in allerlei mengvormen realiseren in het werk van gewaardeerde tijdgenoten als Leeflang, Eijkelboom, Enquist, Korteweg en wie niet allemaal meer. Dat Ilja Leonard Pfeiffer in zulke verstaanbare poëzie weinig ziet en slechts opveert bij verzen die, in zijn woorden, uitblinken in `inelkaaringewikkeldheid' (ik veer daar zelf ook weleens bij op) moge waar zijn maar doet aan de intrinsieke kracht van het anekdotische genre natuurlijk niets af.

'Naastenparade' is een mooi en krachtig debuut. Het is misschien niet altijd groots, maar op heel veel pagina's wel opmerkelijk goed. Het beschrijft herinneringen aan en geeft eigentijdse impressies van mensen uit Van den Hurks naaste omgeving. De ouders komen aan bod, de eigen kinderen, een vroegere handwerkjuf van het type juffrouw Bulstronk, een oude dorpsidioot et cetera.

In haar aandacht voor haar familie en het direct omringende doet Van den Hurk ook enigszins denken aan Luuk Gruwez, met wie ze trouwens eveneens een scherp oog voor soms ontluisterende details gemeen heeft.

Het verbaast me dan ook niet dat Gruwez in de flaptekst een klaroenstoot ten beste mag geven: ,,Een kritische, soms rauwe hommage aan familieleden, [...] oprecht en authentiek.'' In één moeite door verheft hij Van den Hurks gedichten tot 'poëzie met kloten'.

Over dit laatste moeten we het even hebben. Ik begrijp wel wat Gruwez ermee bedoelt, maar vind het toch onhandig uitgedrukt. Deze krachtige poëzie is namelijk typisch vrouwelijk en voor de aanprijzing ervan heb je echt geen zaadfabriekje nodig.

Neem het eerste gedicht, 'Strijk en zet', dat gelijk al een van de beste is van de hele bundel. Ik citeer het in zijn geheel, omdat het zo kenmerkend is voor Van den Hurks stijl en aanpak:

'Ze perst zijn nek,

blaast hete stoom

het bovenste knoopsgat in;

de bout sist maximaal.

Zij legt gewicht in zijn oksels,

boven de plank broeit

een melange van gewassen zweet,

leugens en hitsige smoezen.

Ze glijdt van zijn buik

langs draden zonder knoop

over vlees en volle darmen,

plet breeduit zijn krampen.

Ze strijkt zijn schouders

achter de ellebogen

- zijn gekreukte imago glad -

en hangt hem in de kast.

Ze trekt haar jurk uit,

vouwt zichzelf

open, stijft haar minnaar

en bevochtigt de lakens.'

Wel, dit had ik Du Perron of Elsschot de dichteres nog maar eens na moeten zien doen. Het is een witheet gedicht, een strijken zonder strijkages en de bout sist inderdaad maximaal. De afwezige heer des huizes wordt in deze pijnlijk nauwkeurige, sissende en blazende beschrijving van het strijken van zijn sjofele overhemd vilein ontmaskerd ('leugens en hitsige smoezen') en platgewalst. De laatste strofe maakt het geheel op smaak af door de bezitter van het overhemd in eroticis opzichtig niet nodig te hebben. De masturbatie scène aan het slot -want die 'minnaar' is natuurlijk een metafoor voor de clitoris- is de ultieme overwinning van een vrouw die misschien wel op een sloofje lijkt, maar in werkelijkheid zeer zelfstandig is.

Is dit nu 'poëzie met kloten'? Eerder 'poëzie met eierstokken' zou ik menen. Heel gezonde en weerbare eierstokken ook nog, die - als het moet - van zich af weten te bijten.

In het gedicht 'Trouw', over een echtpaar dat samen een café uitbaat, is de sfeer al even somber en ontluisterend. ,,Haar hoefijzermond sist / de bestelling voor zijn buik'', heet het daar. En: ,,Op hun trouwdag / houden ze een minuut stilte / zevenentwintig jaar lang''. Je kunt dit laatste ook anders lezen, maar de suggestie is toch wel heel sterk dat dit paar elkaar al 27 jaar lang niets meer te zeggen heeft. Zo'n gestoorde, bijna pathologische gezinscommunicatie komt ook aan bod in het eerste gedicht van het reeksje 'Binnenweg':

'We spreken elkaar even

toe als tegen, onderbreken,

onderbreken weer. Daartussen

vaakgebruikte woorden,

vierkant als een vesting.

Wat gebeurt er met ze?

Herstellen ze zich van ons

of hebben we nieuwe woorden

nodig om te zwijgen.'

Een subtiel gedicht, waarbij het meegevoel minder uitgaat naar het hakketakkende paar, dan naar de woorden die zij zo lichtvaardig gebruiken dat ze sleets en onbruikbaar zijn geworden.

Van dit niveau zijn de gedichten bijna allemaal. Zo wordt de narrige hangerigheid van een 13-jarige dochter aldus in beeld gebracht:

,,Ik praat, ik vraag./Zij niet,/slungelt als een tulp/over de rand van een vaas./Bloemen en theepot gapen''. Prachtig gezien en gezegd. Dit is poëzie, al dan niet met eierstokken, van grote anekdotische klasse.

mailIcon print |