*

 

DIT LEIDT TOT WEINIG OF NIETS

HUIB GOUDRIAAN − 13/01/96, 00:00

recensie Maarten Hoff, kenner van de militaire geschiedenis, is hevig verontrust over de Ifor-operatie in Bosnië. De opzet deugt niet en de Nederlandse militairen zijn niet toegerust op wat hen daar te wachten staat. Kortom: het besluit om troepen te zenden, is onverantwoord, zegt hij.

Maar of rookbrakende tanks de Balkan in het gareel zullen brengen? “Ik heb met verbazing kennisgenomen van een betoog van generaal Coopmans, die opmerkte dat de overmacht aan tanks bedoeld is om te intimideren. Mijn verbazing groeide toen hij eraan toevoegde dat hij zijn mensen lachend had gezegd: Je moet olie op de uitlaat gooien, dat produceert lekker veel rook en dan worden ze bang.”

Dr. M. C. Hoff, auteur van het boek 'Militaire misstappen van de Nederlandse leeuw 1825-1950', luitenant-kolonel b.d. van de artillerie, gespecialiseerd in militair management, is verontrust over de bravoure van brigade-generaal H. F. Coopmans. Hoe kon de commandant van het Nederlandse Ifor-contingent in Bosnië zo zijn mond voorbij praten? “Als dit serieus bedoeld is, dan vergeet hij op een potentiële tegenstander te moeten rekenen die kan bogen op enige gevechtservaring. Die laat zich niet intimideren door rook uit tanks.”

Maarten Hoff is ervan doordrongen dat niets bedreigender is voor militaire operaties dan zelfoverschatting. Hij herinnert aan de lichtzinnigheid van vroegere Nederlandse bevelhebbers. Voor hem is de vergelijking niet vergezocht: die met de politionele acties in Indonesië, toen Nederland tussen 1945 en 1950 de militaire kracht van de tegenstander permanent onderschatte. “De Nederlandse legertop had een welhaast klassieke oorlogvoering voorbereid, terwijl de tegenpartij de beginselen van een guerrilla toepaste. Generaal Spoor, legercommandant in Indonesië, en generaal Buurman van Vreeden gokten eerst op afschrikken. Maar daarmee bleven hun troepen wel aan de wegen gebonden.” Ook Ifor, de Navo-legermacht in Bosnië waaraan Nederland met 2 100 manschappen met veel zwaar materieel deelneemt, loopt - indien de betrokken partijen niet echt meewerken - volgens Hoff het risico dat tenslotte alleen de doorgaande wegen beheerst zullen worden.

We mogen de Nederlandse deelneming, die is ingebed in de Navo-operatie op het toezien van de uitvoering van het verdrag van Dayton, toch niet bij voorbaat het stempel van mislukken opdrukken?

“Elke militaire expeditie draagt per definitie risico's. We kunnen ons hooguit afvragen of er in dit geval verantwoorde risico's zijn genomen. Het gaat erom of de kansen van welslagen door Nederland berekend en afgewogen zijn. En daar zet ik mijn vraagtekens bij. De geschiedenis van de Balkan is er altijd een geweest - bij militaire conflicten - van een strijd met modernere middelen tegen mensen die een guerrilla uitvechten. Het terrein leent zich daarvoor. De Duitsers hebben in de Tweede Wereldoorlog absoluut geen kans gezien om het verzet in de Balkan te breken. Het is nu de vraag of de betrokken partijen in Bosnië verzet op eigen grondgebied nieuw leven in kunnen blazen.”

De officiële opvatting is dat ze zich zullen neerleggen bij het vredesakkoord, terwijl u van verzet uitgaat.

“Ja, ik ga uit van verzet. De geschiedenis van de Balkan leert dat we dat moeten doen. Het zou wel heel bijzonder zijn als de Amerikanen nu plotseling in staat konden zijn deze bijna geschiedkundige wetmatigheid een halt toe te roepen. Als een mogelijke bron van irritaties noem ik alleen al de aanwezigheid van buitenlandse moslimstrijders op de Balkan. Voor deze mensen geldt maar één opdracht: de vrijheidsstrijd voortzetten tot het einde, en daarbij helpt geen in Dayton getekend verdrag. Althans, zij zullen zich daar naar ik aanneem heel weinig van aantrekken. We moeten ons niet verkijken op de incidenten van de laatste dagen. De betrokken partijen zijn vermoedelijk nog te zwak, op dit moment, om een behoorlijke kracht tot verzet te ontwikkelen. Je zou kunnen zeggen, om wielrennersjargon te gebruiken: hoe lang duurt het voordat ze weer gerecupereerd zijn? Mocht die recuperatie, dat herstel van gevechtskracht, plaatsvinden dan zal ik mij ernstige zorgen maken over onze Nederlandse militairen. Ik zet vraagtekens bij de wijze waarop onze eigen troepen getraind zijn om deze verzetsstrijders aan te pakken. Het zal uitlopen op: Ifor beheerst de doorgaande wegen, het terrein is aan de strijdgroepen. En vanuit dat terrein wordt Ifor dan aangevallen. De Navo-bevelhebbers, en de Nederlandse commandanten, zeggen wel: 'wij schieten terug', maar dan moet je natuurlijk wel een doel hebben om op te schieten.”

Dat is toch het 'robuuste optreden' dat de Navo in het vooruitzicht heeft gesteld? De Nederlandse chef defensiestaf, generaal Van den Breemen, heeft gezegd: vanaf het begin zullen we Bosnië zo sterk ingaan dat we afschrikken.

“Ik zou bijna zeggen: lees de geschiedenis van de Amerikanen in Vietnam met hun robuuste optreden, hun gemechaniseerde, veel lawaai makende patrouilles, waarbij ze meenden hun tegenstander te kunnen intimideren. Niets was minder waar. Afschrikking is natuurlijk een heel bijzonder concept. Wie bepaalt de afschrikking, gaan we zelf misschien in de afschrikking geloven? Wat de chef defensiestaf betreft: het is duidelijk dat hij wel zo móet spreken. Maar ik wil vaststellen dat als straks gevechtshandelingen uitblijven, dat niet is te danken aan de zogeheten afschrikking, maar aan het gebrek aan gevechtskracht, aan oorlogsmoeheid van diverse betrokken strijdgroepen. En natuurlijk hoop ik op dit laatste, op oorlogsmoeheid die meer ellende zal voorkomen. Maar nogmaals, de geschiedenis heeft aangetoond dat de bevolking van de Balkan zich nog nooit heeft laten afschrikken. En ik kan me niet voorstellen dat zo'n heterogene bevolking, waarin zoveel haat is opgehoopt, zich neerlegt bij een vrede op papier. Er zijn te veel belangentegenstellingen. Je kunt pas een conflict tot bedaren brengen als er één de baas wordt, en die baas is er niet. Maar een poging tot creëren van evenwicht en dan na één jaar weggaan, zoals nu de bedoeling is, leidt tot weinig of niets.”

Alle kansen op het mislukken van operatie Joint Endeaver, zoals het optreden van Ifor is gedoopt, in aanmerking nemend, er was toch geen andere weg?

“In een democratie wordt een electorale politiek gevoerd en daarmee moeten we leren leven. President Clinton zag waarschijnlijk een kans om te scoren, niet alleen voor hemzelf maar ook voor de Verenigde Staten. Maar als je serieus voornemens bent zonder electorale bedoelingen de zaak daar tot rust te brengen, dan moet je jezelf een dictaat opleggen: daar blijven met je militaire macht, totdat je ervan overtuigd bent dat de rust is weergekeerd. De zwakte van het Dayton-akkoord is dat niet aan de toekomst is gedacht. Na een jaar Ifor terugtrekken in de hoop dat alles dan pais en vree is, dàt kan niet. Eén ding is zeker, de politieke verantwoordelijkheid voor de Nederlandse beslissing hierin mee te gaan door het sturen van troepen, ligt klip und klar in Den Haag. De militairen, brigade-generaal Coopmans en zijn contingent, moeten voldoen aan een opdracht van de regering, daar zijn zij beroepsmilitair voor.”

Kennelijk vindt u de beslissing van Den Haag niet verantwoord.

“Nee, eigenlijk niet. Ik ben ervan overtuigd dat er in Nederland na Srebrenica een heimelijke, verborgen civiel-militaire crisis is ontstaan. De militairen betichtten de politici ervan dat ze met de VN-peacekeeping in Srebrenica een ontoereikend mandaat hadden. Ze wilden meer kracht hebben. Dat hebben de militairen nu van de politici gekregen. Maar bij een eventueel Nederlands falen, nu in Ifor-verband, zal die crisis aan de oppervlakte komen in een conflict tussen politici en militairen. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de gretigheid waarmee de politiek nu heeft toegehapt met opnieuw uitzenden, een klassiek voorbeeld is van zich willen revancheren. Een poging tot goedmaken van een daad waarmee je niet gelukkig was. Het operationele vertrouwen in de militairen was bij de politici natuurlijk weg na Srebrenica. Op hun beurt wierpen de militairen de politici het slechte VN-mandaat voor de voeten.”

Amerikanen, Britten en Fransen laten geharde troepen onder de vlag van Ifor optreden. Maar we kunnen de Nederlandse pantserinfanteristen van de landmacht toch niet gehard noemen? Zijn ze (afgezien van de 40 commando's en 157 mariniers) voorbereid op zo'n taak?

“Nu die vraag mij zo rechtstreeks wordt gesteld, antwoord ik: we hebben weliswaar ons uiterste best gedaan - op korte termijn - ons voor te bereiden. Maar ik vind dat pantserinfanteristen niet berekend zijn op een missie die kan inhouden dat één of meer partijen zich tegen hen keren met een guerrilla. Ik treed hiermee niet in beoordeling van de opleiding van de individuele militair en de opleiding van het bataljon. Ook ga ik geen discussie aan over de persoonlijke moed, die zal er zeker zijn. De Nederlandse soldaat heeft ook altijd creativiteit getoond. En zijn persoonlijke bewapening kan in orde zijn. Maar in een guerrilla worden de gevechtskrachtverhoudingen niet in de eerste plaats bepaald door gepantserde eenheden. Die worden onder zulke omstandigheden primair bepaald door de wil om te vechten, door het moreel.”

“Als onze Nederlandse troepen daar straks weken aaneen niets anders doen dan alleen maar patrouillerijden, zal ze dat behoorlijk de keel gaan uithangen. Overste Damen, de bataljonscommandant, moet zijn soldaten zeer alert houden, dag en nacht. Een vergelijkbare situatie deed zich voor tussen 1945 en 1948 in Indonesië. Daar zijn de meeste Nederlandse militairen niet gevallen tijdens de politionele acties, maar tussen die acties door. Dat was dus in een periode met een soortgelijke opdracht als in Bosnië: vooral bewaken van demarcatielijnen. Ik laat hierbij het extreem grote gevaar van de landmijnen in Bosnië nog in het midden. En op al deze punten hebben de Nederlandse troepen zelfs geen kans gekregen zich voor te bereiden. Mocht het fout gaan, dan ligt het zonder meer aan de gebrekkige voorbereiding, waar de individuele soldaat niets aan kan doen, en aan de bevelvoering, aan leiderschap en management.”

Verwacht u op korte termijn een oplaaiende strijd?

“De perfecte tijd om een guerrilla te beginnen, komt in april: de begroeiing neemt toe, de temperatuur is gunstiger, enz. Als ik guerrilla-strijder was, zou ik mijn prikacties voorlopig tot een minimum beperken, ik zou aandacht besteden aan de opbouw van mijn gevechtskracht. Zelfs zou ik zou mijn activiteiten eerst tot nul laten dalen. En waarom? Omdat ik dan de bestaande troepenmacht in slaap sus, met als doel later toe te slaan. Hoe hard geregelde troepen ook mogen zijn, er zijn vele voorbeelden van hoe zij het met modernere wapens toch moesten afleggen tegen technisch minder goed bewapende strijders. Ik noem de door de Fransen verloren slag om Dien Bien Phoe in Indo-China, waaruit later de oorlog om Vietnam ontstond. Dien Bien Phoe is een voorbeeld van pure Franse arrogantie, van groteske zelfoverschatting, terwijl later ook de Amerikanen verloren doordat zij meenden met gigantische hoeveelheden zwaar militair materieel het verzet van de Vietcong te kunnen breken. Klassieke legers zijn niet voor een dergelijke strijd toegerust. Ik aarzel niet te zeggen dat ook Ifor, mocht er daadwerkelijk verzet komen tegen het akkoord van Dayton, niet op zo'n taak berekend zal zijn.”

mailIcon print |