recensie Tijdens de kerstvakantie las ik mij door een zestal romans heen die afgelopen november in Frankrijk de belangrijkste prijzen in de wacht sleepten. De kwaliteit viel me nogal tegen. In 'Les Voleurs de beauté' legt Bruckner zijn verteller, een schrijver zonder inspiratie, een apologie van het plagiaat in de mond: het pronken met vele veren van anderen is de remedie tegen twee kwalen die vaak gelijk optreden, schrijversaspiraties en gebrek aan originaliteit.
Deze kwalen tieren welig in de Franse culturele wereld. Niet dat ik deze prijswinnaars van plagiaat zou willen betichten, maar mij bekroop een sterk gevoel van déja-vu: dit verhaal hebben we toch al honderd keer gelezen, moet dat dan wéér, zo bloedserieus, zonder de knipoog die 'playgiarism' zo smakelijk kan maken?
Neem nu 'Amour noir' ('Zwarte liefde'), van de schrijver en bekende criticus Dominique Noguez. Zijn ik-verteller is zo'n oudere jongere, altijd op vrouwenjacht zoals het een temperamentvolle Fransman betaamt, zeker als hij in Biarritz op een terrasje zit en er komt een stuk voorbij. Laetitia, zo heet de verworven schat, blijkt haar opwindende bruine lijf voor geld aan vele anderen te tonen. Haar vurigheid in de liefde en haar ontrouw houden elkaar in evenwicht, en bezorgen haar minnaar nachtmerries.
Het verloop van het verhaal bevat nauwelijks iets dat niet te voorspellen valt - natuurlijk laat ze hem voortdurend in de steek en komt ze als een zielig poesje terug wanneer ze geld en koestering nodig heeft; natuurlijk sterft zij bij een motorongeluk, had ze maar niet bij die stoere bink achterop moeten klimmen. We lezen veel over de geheimen van Laetitia's lijf, verder blijft ze een duister mysterie.
De verteller daarentegen verbergt niets van zijn eigen zielentrillingen. Melancholisch gestemd roert hij met graagte in al zijn liefdespijnen, gesterkt door het gezelschap van de velen die hem literair voorgingen in het verbeelden van deze slavernij: Baudelaire, Proust, Breton, Thomas Mann, om het maar even bij de terloops genoemde modernen te laten.
Misschien zullen vele (Franse) mannen zich aangesproken voelen door dit intimistische, zo niet narcistische verslag. Maar het is mij een raadsel dat een jury bestaande uit louter vrouwen haar Prix Femina uitlooft aan een roman als deze, vol luchtig opgediend maar clichématig getreur.
Minder luchtig is 'Les sept noms du peintre' ('De zeven namen van de schilder'), waarvoor Philippe Le Guillou de deftige Prix Médicis ontving. Het is de verzonnen biografie van een schilder, Erich Sebastian Berg. In haar essay 'La Condition masculine' stelt de sociologe Elisabeth Badinter dat mannen in onze samenleving maar moeilijk een identiteit op kunnen bouwen, omdat de traditionele voorbeelden hebben afgedaan en er voor hen geen initiatieriten meer bestaan. Le Guillou lijkt vastbesloten om daar wat aan te doen: zijn schilder rolt als jongen en later als man van de ene initiatie in de andere, van de ene symbolische dood in het andere intense leven. Gretig ondergaat hij de seksuele, spirituele en artistieke invloed van verschillende meesters, alvorens de wijsheid te vinden in de ascese.
Er zijn mooie en meeslepende passages in deze roman, bijvoorbeeld wanneer Le Guillou de troebele verhouding tussen de jonge leerling en zijn Antwerpse meester beschrijft, of de erotisch geladen vriendschappen op de kostschool. Maar erg nieuw is het niet, en dit schildersleven beantwoordt te goed aan het romantische beeld van de geniale kunstenaar. Ook is de symboliek mij te zwaar en voorspelbaar, en worden de vele bevallige naakte jongelingen die het liefst met een doodshoofd moeten poseren op den duur stereotiep.
Het derde slachtoffer van mijn oliebolllenhumeur is Patrick Rambaud, de winnaar van de Prix Goncourt, toch de belangrijkste Franse literaire onderscheiding. Rambaud heeft, net als de twee vorige auteurs, al verschillende titels op zijn naam. Hij schreef ook prettig venijnige parodieën, onder andere op Marguerite Duras. Zijn nu bekroonde historische roman 'La Bataille' ('De strijd') heeft echter in mijn ogen weinig dat hem onderscheidt.
Rambaud beschrijft twee dagen uit Napoleons Oostenrijkse campagne, wat vele bladzijden heen en weer gedoe oplevert tussen Wenen, de oevers van de Donau en een eilandje, met onduidelijk resultaat behalve een indrukwekkend aantal doden. Oorlog is een chaos, waar strategie nog een vleugje ordening op probeert te leggen. Napoleon treedt op als verwende vreetzak en geniaal krijgsman, de schrijver die zich later Stendhal zal noemen heeft een onbeduidend bijrolletje, en er zijn wat aardige sfeerbeelden.
Moet ook deze roman gelezen worden als parodie, zoals de wel zeer uitvoerige Historische Noten van de schrijver zouden kunnen doen vermoeden? Dan heeft het ogenschijnlijke gebrek aan diepere zin en breder perspectief misschien een kritische functie, namelijk de ontmaskering van de traditionele bombastische en verheerlijkende schildering van de strijd. Maar als parodie op een allang achterhaalde verteltrant is dit boek te weinig actueel. Als serieuze roman is het een degelijk maar wat beperkt verhaal. In beide gevallen geen onderscheiding waard, lijkt mij.
Misschien kozen de scholieren beter? Zij bekroonden met de 'Prix Goncourt des lycéens' een boek van de vrij onbekende Jean-Pierre Milovanoff met de geheimzinnige titel 'Le Maître des paons' ('De meester van de pauwen'). Van mooi materiaal maakte helaas ook Milovanoff een wat flets boek. In lange proustiaanse zinnen, maar zonder Prousts magie, tracht hij de sfeer op te roepen van een wereld buiten de gewone orde.
De inmiddels vijftigjarige, halfblinde verteller herinnert zich hoe de liefde voor een ongenaakbaar meisje hem als jongen voerde naar een afgelegen 'mas', zo'n Provençaalse boerderij, waarin haar vader woonde, een schilder die enkel pauwen schilderde. De meeste nevenfiguren komen goed uit de verf, zoals de ijdele professor die met het meisje gaat strijken, of haar zogenaamd achterlijke broer. Maar juist de schilder met zijn vreemde obsessie krijgt nergens werkelijk inhoud, al wordt het motief van het 'oog' fors aangezet: de pauwenstaart is bezaaid met ogen, terwijl de verteller en de professor nagenoeg blind zijn.
Wie is nu de ziener te midden van al dan niet blinde ogen? Een eigen visie op de kunst van het kijken komt er naar mijn idee niet uit. Misschien was het, naast de wat vage suggestie van symboliek, de schutterigheid van de verteller die de scholieren heeft bekoord.
Ik zal wat vrolijker eindigen. De Prix Renaudot - het kleine broertje van de Goncourt - ging naar Pascal Bruckner, voor het vrij spannende 'Les Voleurs de beauté'. Een jonge, wat lusteloze vrouwelijke psychiater die dienst heeft tijdens een snikheet weekend in Parijs, luistert naar een gemaskerde man wiens bekentenissen een ijzige wereld oproepen.
De man vertelt haar een wonderlijk verhaal dat een verslag van zijn eigen belevenissen blijkt te zijn, over ene Benjamin, een tobberige jongen en zijn vriendin, de mooie Helena. Dit onwaarschijnlijke tweetal raakt tijdens een sneeuwstorm in de Jura de weg kwijt en belandt in een boerderij waar hun komst haast te goed lijkt verwacht. De bewoners van het huis, rijke vijftigers, blijken een ondergrondse strijd tegen de schoonheid te voeren. Schoonheid is immers een onfatsoenlijke oneerlijkheid van het lot, vinden zij die hebben moeten ondervinden hoe de tijd aan hun uiterlijk ging vreten.
Het verhaal van hun verwoestende actie komt aan het slot ook voor de psychiater angstwekkend dicht op de huid. Bruckners fabel speelt met allerlei motieven uit de fantastische literatuur, maar verweeft ze met mooie beelden van het onbehagen van de moderne verloren stadsmens. Hier en daar wat breed uitgesponnen, maar in elk geval niet zo pretentieus.
Nog minder pretentieus is Lydie Salvayre's 'La Compagnie des spectres', de lieveling van het Franse publiek (Prix Novembre). Haar directe, zelfs grove schrijftrant doet haast weldadig aan na zoveel fraaie volzinnen. Een moeder en een dochter wonen opgesloten in een schamel appartement, de deurwaarder komt om hun bullen te registreren voordat de vrouwen op straat gezet worden. De moeder zit vol vreselijke herinneringen aan de oorlogstijd, waarin Maréchal 'Putain' (Pétain) en de zijnen domme krachtpatsers laarzen en macht gaven waarmee ze anderen konden koeioneren. Tevergeefs probeert de dochter haar moeders sarcastische en woedende woordenvloed te stuiten, wanneer deze de deurwaarder aanziet voor weer één van die Pétain-bende.
De schrijfster suggereert dat het in feite inderdaad om dezelfde soort mensen gaat, diegenen die zich groot maken door anderen te vernederen. Maar bij Salvayre gaat het wel van dik hout zaagt men planken: schrijnend grotesk en karikaturaal beschrijft ze deze verwoeste levens, waarin het verleden door het heden spookt. Heel wat subtieler is dat in onze literatuur verwoord door Carl Friedman, bijvoorbeeld. Maar misschien is een dergelijk ongenuanceerd geluid wel te begrijpen in het Frankrijk van het Papon-proces en de groeiende Le Pen-aanhang.
Valt er iets te concluderen? Eigenlijk alleen dat de meeste van deze titels heus niet meteen vertaald hoeven te worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.