recensie Hendrik de Vries: Sprookjes; Bert Bakker, Amsterdam; 111 blz. - f 19,90. Jan van der Vegt: Hendrik de Vries (1896 - 1986) - Een biografische schets; De Prom, Baarn; 120 blz. - f 24,90. W. R. H. Koops: Hendrik de Vries geportretteerd door leden van 'De Ploeg'; Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag; 24 blz. - f 14,95. Hendrik de Vries: 't Geheimste is geheim gebleven; Groninger Museum, Groningen; 148 blz., catalogus.
Een visioen is ook iets anders dan een droom, het heeft meer met romantiek dan met modernisme te maken en sluit beter aan bij de 'expressionistische romantiek' van De Vries. In zijn poëzie en beeldende kunst speelt de werkelijkheid hoegenaamd geen rol, maar wordt een geschouwde binnenwereld tot uitdrukking gebracht, of zoals hij het in een gedicht formuleert: “'t In wakende droom geziene.”
Het dichten, zo lees ik in de biografische schets van Jan van der Vegt, vond plaats in een roesachtige stemming, bewerkstelligd door een paar glazen wijn of ook wel door een koortsaanval. Het gedicht vormde zich dan in de geest, een proces dat met tarantisme, verkrampte dansbewegingen, gepaard ging en dus zeer lichamelijk beleefd werd. Pas als het gedicht intern voltooid was, bracht De Vries het naar buiten en schreef hij het op.
Ook zijn schilderijen zijn in een roes ontstaan. Toen hij in de jaren van de wereldoorlog geen geld had om wijn te kopen, bracht hij zichzelf in de gewenste stemming door slaolie te drinken. Voor het tekenen, vaak in driftige reeksen van variaties, was weer iets anders nodig, namelijk zeer sterke zwarte, koude koffie die hij in een kop schonk half met basterdsuiker gevuld.
Dit zijn natuurlijk niet de meest essentiële biografische gegevens, maar het feit dat bij De Vries kunst en roes met elkaar samenhangen is toch ook niet onbelangrijk. De roes werd trouwens, Van der Vegt legt er de nadruk op, sterk aan banden gelegd door de strenge opvattingen van de dichter aangaande maat en rijm, die ervoor zorgden dat de taal in zinnige banen werd geleid. Van alle Nederlandse dichters is De Vries waarschijnlijk in het formele de dichter met de meeste zelfopgelegde verbodsbepalingen. Hij mocht van zichzelf niet eens twee woorden achter elkaar zetten waarvan de medeklinkers tegen elkaar botsten ('ruw woud' of 'nooit thuis'), want dan ging een klankwaarde verloren en werd afbreuk gedaan aan de magie van het vers. Aan een dergelijk taboe gehoorzaamde hij overigens onbewust, het was voor hem blijkbaar volkomen natuurlijk om het niet te overtreden.
Als er één ding heel duidelijk wordt uit Van der Vegts biografische schets, een veelbelovende opmaat voor de beoogde biografie, dan is het wel dat De Vries' instelling en wereld gevormd zijn in de kindertijd en jeugd. Dat mag in het algemeen gelden, maar voor De Vries wel zeer in het bijzonder, omdat hij zijn leven lang dicht in de buurt is gebleven bij het kind dat hij was. De erotische gevoelens uit de kindertijd en de angst voor en haat tegen de hysterische, psychisch gestoorde moeder, hebben hem voor altijd getekend. De dubbele ervaring van genot bij angst of van lust bij lijden kende hij als geen ander, zijn kunst getuigt ervan. Op zijn zevende dichtte hij al. Op zijn tiende kende hij al hele delen van het werk van Bilderdijk en Vondel uit het hoofd. De fantastische vertellingen van Edgar Allan Poe las hij vroeg en ze zouden onuitwisbaar blijven meespoken in zijn geest. Ook met Spanje, dat hij tussen de wereldoorlogen dikwijls bezocht en als zijn eigenlijke vaderland beschouwde, kwam hij al vroeg in aanraking door middel van Spaanse muziek en afbeeldingen van dansers en stierengevechten, die zijn jeugdige zinnelijkheid prikkelden. De zwarte romantiek van zijn werk is direct te herleiden tot jeugdervaringen.
De Vries' verbondenheid met de kindertijd blijkt ook uit het feit dat hij graag met kinderen omging. Hij kon zich uitstekend inleven in hun wereld, speelde met hen en vertelde verhalen. In de jaren dertig heeft hij een aantal van deze sprookjes op schrift gesteld, maar van een uitgave is het toen niet gekomen. Pas vlak voor zijn dood zijn ze teruggevonden; ze verschenen postuum, in een beperkte oplage. Ter gelegenheid van de viering van De Vries' honderdste geboortedag, eind vorig jaar, zijn ze opnieuw uitgebracht.
Het zijn echte volkssprookjes, wie ze leest merkt aan alles dat ze de schriftelijke neerslag vormen van een mondelinge vertelling. Prinsen, prinsessen, koningen, heksen, kobolden, tovenaars, ze komen er allemaal in voor. Er gebeuren fantastische en griezelige dingen, gangen en putten voeren naar wonderlijke werelden, een paar kinderen komen zelfs op de maan terecht, waar ze worden opgesloten in kelders om ten slotte, via een luik onderin de maan afgeworpen te worden naar de aarde. Eng en meedogenloos gaat het eraan toe in de meeste, ze zijn van het Grimm-soort, en sluiten wat dat betreft naadloos aan bij de gedichten (vooral die in 'Toovertuin') en tekeningen, van welke laatste er enkele tientallen als illustratie dienstdoen.
In het sprookje 'Het betoverde huis' dringt een stel jongens het huis van een heks binnen om te kijken of ze nog leeft. Ze vinden haar dood, dragen haar naar boven, maar dan opeens blijkt ze verdwenen te zijn. De jongens proberen vervolgens de deur van een gesloten kamertje open te krijgen, wat ten slotte lukt, maar als ze binnen zijn valt de deur potdicht. Eén jongen is buiten gebleven, maar van geen kant is de deur meer open te krijgen. Dan verschijnt de heks en zij zegt tegen deze jongen dat de kist die in het kamertje staat de doodkist is van degene die het eerst iets zegt als zij de deur openmaakt: “De jongens kregen wel een vreselijke schrik toen ze zagen dat de heks nog leefde, maar de grootste van de twee aanvoerders was er brutaal tegen in, en zei: 'Kijk, die kist is leeg, dat is ook een bak.' 'Nee,' zei de jongen die juist binnenkwam; 'het is geen bak maar een kist: een doodkist voor jou.' 'Gekheid, hij is me te klein, kijk maar', en hij ging erin liggen. Het kon toch net. Op hetzelfde ogenblik werden allen zo verlamd dat ze geen vin konden verroeren. De heks haalde hamers en spijkers uit een bakje dat ze had meegenomen, en timmerde heel langzaam en voorzichtig het deksel erop vast. Ze nam de jongens alles af wat ze hadden, sloop de deur uit en begon van buiten ook rustig spijkers in te slaan. Ze konden zich niet bewegen voor het geluid ophield. Het was met hun gedaan.”
De 'Sprookjes' vormen een belangrijke aanvulling op De Vries' poëzie. Ook de catalogus van de grote De Vries-tentoonstelling in het Groninger Museum, 't Geheimste is geheim gebleven', is een belangrijke aanvulling op de reeds bestaande publicaties over het beeldend werk. In het schitterende boek staan veel reproducties, sommige in kleur, die onmiddellijk de typische wereld van De Vries voor ogen brengen. In eindeloze variaties schilderde en tekende hij woeste berglandschappen, dichte, maanverlichte bossen, Spaanse danseresjes, droomgestalten, groteske figuren - sensueel, demonisch, grillig en obsessief. In de tekeningen is De Vries op zijn best, daar kan hij in zwart-wit zijn visioenen het sterkst laten uitkomen.
De catalogus bevat ook enkele beschouwingen over zijn beeldend werk, onder anderen van Johan Dijkstra, Ploeggenoot aan wie het museum op het ogenblik een overzichtstentoonstelling wijdt, W. Jos de Gruyter en Han Steenbruggen. Dick Leutscher, die een nawoord bij de 'Sprookjes' schreef, maakt in de catalogus een overtuigende vergelijking tussen de kunst van De Vries en die van de Oostenrijkse grotesk-fantaserende Alfred Kubin.
Tot en met 2 februari, tot slot, is er in het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling te zien waarop naast literaire documenten een groot aantal portretten van De Vries is te bezichtigen, vervaardigd door leden van De Ploeg. W. R. H. Koops bespreekt ze animerend in een kleine brochure, in het museum verkrijgbaar.
Het Hendrik de Vriesjaar 1996 is door al deze boeken, tentoonstellingen en andere activiteiten niet onopgemerkt gebleven en heeft de kennis van en het inzicht in het leven en het werk van de dichter-schilder aanmerkelijk vergroot.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.