recensie Anne Takens: 'De liefste oma van de wereld', Van Holkema en Warendorf, 76 p. Fl. 22,50, v.a. 5 jr. Henri van Daele: 'De lente van Kleine Beer', Lannoo, 78 p. Fl. 24,50, v.a. 5 jr. Halil Gür: 'Mijn grote oma', Piramide, 71 p. Fl. 24,90.
In haar nieuwste boek schrijft Anne Takens, die zich gespecialiseerd heeft in de beschrijving van het alledaagse kinderleven over zo'n ideale opa-kleinkind-verhouding. De opa van van Eefje heet in de titel van haar boek onverbloemd 'De liefste opa van het land'. De verhaaltjes zijn voor veel kinderen van vijf jaar en ouder ongetwijfeld heel herkenbaar. En zoniet, dan bieden ze in elk geval stof om over zo'n lieve opa te fantaseren. Opa woont buiten en heeft allerlei dieren, zelfs een koe. Hij kent heel veel versjes en hij bakt midden in de zomer oliebollen. Alles is fijn. Alleen jammer dat oma er niet meer is. Het verdriet om oma loopt als een rode draad door het boek, overigens zonder dat het de kinderlijk blije toon teniet doet. Telkens duiken herinneringen aan oma op. Haar lievelingsliedje, haar vlieger, de zonnehoed waarmee ze de regen kon wegtoveren, eigenlijk gaat het over de liefste oma van het land.
Opa aait over oma's foto, snuit af en toe zijn neus en zwijgt vooral vaak. Ook over de vraag waar oma nu is. Eefje babbelt luchtig over oma als elfje en over oma hoog in de lucht, hoger dan de wolken. (“Dat droom ik soms”, zegt Eefje. “Ik droom dat soms ook”, zegt opa met een zucht.) Voor de zienswijze (van veel trouwe kerkgangers) dat het vooral grootouders zijn die aan kinderen over God en het hiernamaals vertellen, biedt dit verhaal geen enkel aanknopingspunt. Van een hemel rept opa noch Eefje. Doodgaan is iets droevigs, maar ook iets natuurlijks. Opa zal ook sterven, weet Eefje, maar zijzelf gelukkig nooit.
Voor het verdriet van opa heeft Takens niet veel woorden nodig en dat maakt het boekje sterk, zij het naar mijn smaak wel iets te zoet.
Dat grootouders kinderen opvoeden is in veel landen de gewoonste zaak van de wereld. Ouders moeten immers werken. Voor Joris in 'De lente van Kleine Beer' van de Vlaamse schrijver Henri van Daele zijn vader en moeder maar bijzaak. Grootvader (Grote Beer) beheerst zijn leven. Het boek waarin Van Daele, die al zestien jaar jeugdliteratuur schrijft, dit paar introduceerde (Grote Beer, Kleine Beer - 1993) werd terecht onderscheiden met een Vlag en Wimpel en opnieuw bewijst Van Daele dat hij met heel weinig middelen een prachtig sfeerbeeld kan oproepen.
Met een nestkastje, radijsjes en kikkerdril ontdekt Joris aan de hand van opa hoe het in het voorjaar toegaat. Haast onvermijdelijk met zoveel ontluikend leven komt ook de mogelijkheid ter sprake dat Joris nog eens een broertje of zusje zal krijgen. Opa legt - niet in detail - uit hoe de kindertjes komen, inclusief de opmerking 'Vroeger kwamen de kindjes vanzelf. Maar nu kun je helemaal zelf beslissen wanneer je een kindje wil'.
Prachtig is een heel kort fragment waarin opa na de winter weer als 'wielertoerist' met zijn club De Laagvliegers op stap gaat. ('Sommige Laagvliegers staan op dit onchristelijke uur al met een pint in hun hand, maar dat vindt opa overdreven.') Even vanzelfsprekend als de egel ontwaakt uit zijn winterslaap stapt opa met zijn kroegmaten op de fiets. Ook over Pasen vertelt opa aan Joris. Hoe komen op Paasmorgen vroeg al die chocolade-eieren in de tuin? Net als alle Belgische kinderen krijgt Joris te horen dat de kerkklokken in de week voor Pasen niet luiden omdat ze dan naar Rome vliegen om paaseitjes op te halen. Om de klokken te zien terugvliegen staan Grote en Kleine Beer op Paasmorgen heel vroeg op, maar de tuin ligt al vol met eieren. En opa weet kennelijk precies hoeveel.
Net zomin als de opa van Eefje vertelt de opa van Joris méér over het mysterie van leven en dood. Des te opvallender is het dat de oma in het derde jeugdboek van de in Turkije geboren schrijver Halil Gür, haar kleinzoon zo nadrukkelijk over God vertelt. 'Mijn grote oma', opvolger van 'Mijn dappere moeder', is geen gemakkelijk boek, maar het is dan ook bestemd voor oudere kinderen dan de verhalen van Takens en Van Daele. Deze oma beantwoordt ook niet aan het stereotiepe beeld van de lieve verwenoma. Ze is weliswaar 'de kroon op ons hoofd', zoals de vader van hoofdpersoon Ali Veli zegt, maar het is niet gemakkelijk om met haar om te gaan. Ze moet erg rijk zijn, maar bewaakt haar schat als een feeks. Ze is ook niet bereid bij haar kinderen in de stad te komen wonen. Na veel soebatten krijgt Ali uiteindelijk toestemming om in de zomervakantie bij haar te gaan logeren en daar ontdekt hij bij stukjes en beetjes hoe zijn oma echt is. Oma wijdt hem in in het leven op het platteland en laat hem kennismaken met haar zorgenkind, haar van liefdesverdriet krankzinnig geworden broer. Zij neemt Ali ook mee als zij de heilige Ibrahim Baba een kip gaat offeren omdat haar broer zijn verstand weer heeft teruggekregen. Dan vertelt zij over God die de zonden van kinderen altijd vergeeft, ze moedigt Ali aan te bidden, een gebed dat 'recht uit zijn hart' komt. Ali's gebed wordt verhoord: in het kussen dat hij van oma mee naar huis krijgt blijkt al haar goud verstopt te zitten.
'Mijn grote oma' is een fascinerend boek, maar het onderscheid tussen droom, fantasie en werkelijkheid maakt het wat moeilijk toegankelijk. Verder zijn de oplossingen van sommige problemen zo simpel en toevallig, dat ze afbreuk doen aan het verhaal. Aan de andere kant biedt Gür een blik in een heel andere cultuur, dan de louter lieve van Nederlandse en Vlaamse opa's en oma's, en dat is wel een (beetje een) verademing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.