*

 

Liturgie of hoe men maar wat aanmodderde

PIETER VAN DER VEN − 07/02/98, 00:00

recensie Nutteloos en broodnodig, speels en in goede orde, veelvormig en op eenheid gericht: liturgie, het samenkomen van de vierende gemeente is een vat van paradoxen. Voordat ze de jonge dominee op de gemeente loslaten, zouden ze hem of haar eens in de diepte langs de wortels, fundamenten en schatten van het fenomeen liturgie moeten voeren. Een handboek is een begin.

Liturgie, of liever: het vak liturgiek, is aan de protestantse kerkelijke ambtsopleidingen zuinig bemeten. Docenten doen het erbij, voor één dag in de week, naast hun 'echte' vak, als Oude Testament of praktische theologie. Iedereen moddert voor zichzelf maar wat aan, merkte ds. Paul Oskamp, die als rector van Hydepark alle aanstaande hervormde predikanten onder handen kreeg.

Hij slaagde erin samen met het brokkelige wereldje van protestantse liturgiek-docenten te komen tot een gezamenlijke aanpak, tot één handboek. Het is er nu, en vandaag wordt het 500 pagina's kloeke werk feestelijk maar kritisch gepresenteerd op een studiedag in Kampen. Titel van het boek en motto van de dag: De weg van de liturgie. Met het boek op tafel leggen de eindredacteuren, Oskamp en prof. Niek Schuman (Vrije Universiteit en Kampen), het hoe en waarom uit van hun onderneming.

'Tradities, achtergronden, praktijk', luidt de ondertitel - een beperking, want voor de geschiedenis van de liturgie verwijzen de auteurs naar het (katholieke) standaardwerk 'Riten en mythen' van Herman Wegman.

Een twintigtal auteurs hebben meegewerkt, van de lutherse nestor Joop Boendermaker tot de gereformeerde bonder Gerrit Immink en de remonstrant Marius van Leeuwen, van de feministische theologe Denise Dijk tot cantor-organist Wim Kloppenburg. Een mooi boek, met veel informatie en materiaal en zonder academische geheimtaal leesbaar voor geïnteresseerden.

Vooral de Reformatie van calvinistische snit legde zoveel accent op het Woord dat het element rite, spel, viering, liturgie vrijwel geheel verdrongen raakte. Dat was niet goed voor het vieren, maar ook niet voor het leren, vinden velen nu. Hervormde bevlogenen als prof. G. van der Leeuw, ds. W. G. Overbosch, Willem Barnard, de gereformeerde professor G.N. Lammens, musici als Willem Mudde en Frits Mehrtens hebben enkele decennia geleden een kentering op gang gebracht. En de gevolgen zijn zichtbaar: dominees dragen liturgische kleuren, ze doen aan ziekenzalving, aan zegening van een nieuw huis - vesper, getijdengebed, absoute, kaarsen - het zijn allang geen strikt roomse zaken meer, alleen de rozenkrans nog.

Het nieuwe handboek wijst de weg in dat nieuwe/ oude land of eerder: het wijst wegen, want de pioniers waren volgens Oskamp en Schuman misschien wat streng in de leer. 'Zo moet het' presenteren de auteurs van 'De weg...' als een 'zo kan het, maar ook anders'. Schuman wil zijn studenten iets bijbrengen van speelse omgang, verbeelding en creativiteit in de praktijk, maar daarvoor moeten ze eerst leren van de achtergronden, de wortels, de tradities.

Oskamp: “De maatschappij is zeer pluriform en dat is ook het geval in het geestelijk leven. Het is onmogelijk het iedereen naar de zin te maken. Voor mij is het criterium voor goede liturgie niet of ik het lekker vind, wel of de prediking voedend is, of ik er mijn kinderen mee naar toe wil nemen, of behalve hoofd en hart ook de handen, worden aangesproken. Liturgie moet iets bieden van wat je nodig hebt om als gelovige overeind te blijven.”

Schuman onderkent het gevaar dat mensen kerkdiensten als consumptieartikel beschouwen en op de markt uitkiezen wat hun bevalt, maar volgens hem zoeken velen in de liturgie ook juist de keerzijde van al het consumptieve en chaotische om hen heen: “Weloverwogen woorden horen, niet hoog-esthetisch, maar wel geordend, zorgvuldig, dat het goed klinkt.” Dat geldt ook voor ruimte en aankleding: goede stijl, mooie vormen, doen ertoe.

Een liturgisch model wordt wel niet voorgeschreven, maar het hart van Oskamp en Schuman ligt bepaald niet bij het meest laagkerkelijke, het vormeloze van evangelische en pinksterbewegingen. Mag dat niet ? Schuman gelooft dat je liturgisch gesproken toch gauw raakt uitgepraat, als er zo helemaal niets van de wortels is terug te vinden, alleen maar Jezus en nog eens Jezus en niets van diens joodse achtergrond en van de psalmen. Maar ze geven die charismatische en evangelische groepen, die nog volop in ontwikkeling zijn, het voordeel van de twijfel. Er is hoop: ook de methodisten in de 18de eeuw begonnen heel laagkerkelijk met hun opwekking, nu horen ze tot de traditionele kerken. En meer dan eens komen jonge mensen juist via evangelische bewegingen als Youth for Christ over de drempel - of ook via 'Taizé', dat eenvoud met gevoel voor stijl en liturgie verbindt.

Oskamp vindt de sobere diensten zoals hij die bij de Gereformeerde bond aantreft hun eigen kracht hebben en hij wil er de staf niet over breken, maar hij vindt wel dat predikanten uit die hoek van meer moeten weten.

'De weg...' is volop een protestants boek. Oskamp en Schuman geven het toe en verdedigen het: er is nog veel te bespreken tussen de meer en de minder liturgisch ingestelde protestanten. Ook de diverse invalshoeken van bijbel, geschiedenis, dogmatiek en menswetenschappen maken een vak als liturgiek enorm breed. Maar de bedoeling is weldegelijk het bevorderen van 'het gesprek met Israël en met Rome', zoals dat dan heet. En wat hun betreft wordt een volgend handboek voor liturgie een oecumenisch project, met de Romana erbij.

Schuman spreekt van hoofdwegen en vertakkingen die samenkomen; is dat geen illusie? Gaan de wegen niet steeds verder uiteen? Oskamp maakt een onderscheid. Hij denkt niet dat alles wat gebeurt snel onder één liturgisch hoedje is te vangen; hij denkt ook dat we “tot de jongste dag” liturgisch gesproken wel gescheiden zullen blijven optrekken van de oosterse orthodoxen. Maar in het westen ziet hij toch een groeiende (h)erkenning van elkaars tradities.

Boendermaker schrijft ergens: “Echte eredienst is principieel nutteloos. We zijn mesjogge dat we op een mooie zondag in de kerk zitten. Het is nog nuttelozer dan bloemen geven op een verjaardag of kransen bij een begrafenis, of kaarsen op tafel terwijl er 100W boven hangt.”

Nutteloos, maar hoe zit het dan met de eis dat vooral de preek de mensen iets moet meegeven voor de hele week? Schuman noemt het liever 'schijnbaar overbodig' dan 'nutteloos' - het spel, het evocatieve, maar dat staat ook voor hem voorop. 'Schijnbaar': want de tekenen, gebaren en woorden in de liturgie overstijgen de beperktheid van alleen maar menselijke woorden en gebaren. “De kerk kan niet zonder onderricht, maar het leermoment kan goed buiten de liturgische context,” zegt hij. Oskamp wil de vierende en de lerende gelovige niet tegen elkaar uitspelen, want hart en verstand moeten allebei worden aangesproken, vindt hij. Maar ook hij ziet liturgie als meer dan een kader voor catechese.

Maar geen liturgie zonder zingen. Wie? Wat? Het onderwerp 'kerklied' is voor een handboek wat zuinig bedeeld, met alleen de persoonlijke smaak van Wim Kloppenburg. Voor Oskamp en alle rechtgeaarde protestanten is samen zingen wezenlijk. Al zingende wordt de gemeente tot gemeente, tot subject van de bijeenkomst, net als de voorganger. Oskamp nuanceert: hij betreurt dat in veel moderne kerken er geen pilaren meer zijn om achter weg te schuilen. De eenmalige passanten op kerstmis, die niet meezingen, zijn hem zeer lief, hij wil ruimte voor vele gradaties van deelnemen aan de dienst.

In veel protestantse kerken heeft het vroeger onbekende fenomeen van de cantorij een belangrijke rol verworven, ter ondersteuning, verfraaiing van de zang en ook voor vernieuwing van vormen en repertoire. Maar aan een liturgie waarbij de aanwezigen alleen maar de aandacht van het luisteren beoefenen willen ze toch niet, ook al is het gemeenschappelijk vertrouwde repertoire lang niet meer zo vanzelfsprekend als dertig jaar geleden, toen de versjes en de psalmen er van kindsaf wekelijks werden ingestampt. Oskamp houdt staande: “Het is normaal dat je als gemeente van de Heer je mond open doet.”

Wie enigszins heeft gevolgd hoe hervormden en gereformeerden de laatste maanden strijden over het thema 'verzoening' verbaast zich over de bijna nonchalante manier waarop diverse auteurs in dit handboek het woord bezigen. Niet als de sjibolet die de ware van de vrijzinnige belijders onderscheidt, niet als een probleem dat linksom dan wel rechtsom moet worden opgelost, niet als halszaak van een god die wel of geen bloed ter betaling zou eisen.

Schuman: “Als je ergens heel grondig met 'verzoening' kunt omgaan is het binnen de liturgie. De bede 'Ontferm U' omspant als het ware het begin en het eind van de samenkomst. Het kan, omdat het een sacraal spel is. Bij de joden was Grote Verzoendag een zwaarbeladen ritueel voor éénmaal per jaar.”

Voor Oskamp en Schuman is 'verzoening' een woord voor de liturgie, niet voor handtekeningenacties. “'Brood gebroken, bloed vergoten tot vergeving van zonden, doet dit tot mijn gedachtenis' - dat zijn toch woorden die niemand peilen kan,” zegt Schuman. Liturgie als uiteindelijk de paradox van het onzegbare gezegde.

mailIcon print |