recensie Dr. P. J. Zwart: De achtergronden van de moraal. Van Gorcum, Assen; 193 blz. - ¿ 39,50.
Zij is opgeworpen door de recente wetenschap van de sociobiologie. De aanhangers daarvan menen dat het sociale gedrag van de mens, dus ook de moraal, in essentie kan worden verklaard op grond van zijn biologische evolutie. De mens is voor hen dier onder de dieren. Bij de tegenstanders van deze opvatting heeft zich nu ook de filosoof en natuurwetenschapper P. J. Zwart gevoegd, met zijn boek 'De achtergronden van de moraal'. Hij beperkte zich niet tot een weerlegging van de sociobiologische denkbeelden, maar biedt een eigen en minder vergezochte theorie over het ontstaan van de moraal.
Het darwinistische uitgangspunt van de sociobiologen wordt door Zwart niet aangevochten. Maar de gedachte van natuurlijke selectie moet volgens hem ook worden toegepast op de groepen waarin sommige diersoorten van nature samenleven. De mens is zo'n dier: alleen in groepsverband kan hij overleven. De strijd om het bestaan was vanaf de oertijd in de eerste plaats een strijd tussen groepen, die elkaar jachtgebieden of vruchtbare grond betwistten. Welnu, in die strijd hadden groepen die een moraal hadden ontwikkeld een grotere overlevingskans dan andere groepen. Moreel gedrag bevordert namelijk de saamhorigheid binnen een groep: de individuen zijn elkaar welgezind en bereid elkaar te helpen in geval van nood. In die eigenschappen bestaat volgens Zwart nu juist de morele houding die iemand tot een 'goed' mens maakt.
De moraal had dus een duidelijke functie: de interne vrede van een groep te bevorderen, met als uiteindelijk doel het levensbehoud der individuen. Thomas Hobbes had iets dergelijks beweerd. Maar anders dan Hobbes gelooft Zwart niet dat de moraal haar ontstaan dankt aan een doelbewuste, op redelijk inzicht berustende afspraak om de vrede te bewaren. Hij beschouwt haar veeleer als de uitbreiding van een oerinstinct, door toedoen van de rede. Al in het dierlijke stadium bezat de mens een neiging tot 'altruïstisch gedrag', ofwel een neiging om groepsgenoten in nood of gevaar te helpen, zonodig met opoffering van het eigenbelang. Kennelijk moeten we veronderstellen dat de oermens, ondanks zijn morele instinct, zelfs jegens de leden van zijn eigen groep niet altijd even welwillend en hulpvaardig was, want anders zou de ontwikkeling van de moraal overbodig zijn geweest.
Het 'morele instinct' zelf (dat weer enigszins aan Rousseau herinnert) is nog op grond van de biologische evolutie te verklaren. Maar de daaruit voortvloeiende ontwikkeling van de moraal, met al haar specifieke voorschriften en verboden, moet veeleer worden toegeschreven aan de culturele evolutie. Zij is historisch van aard. Dat blijkt ook uit het feit dat er veel verschillende moralen zijn, afhankelijk van de historische en sociale verschillen tussen de groepen waarin ze zijn ontstaan. De basisprincipes, welgezindheid en hulpvaardigheid, blijven echter dezelfde.
Zwart beklemtoont dat de moraal - zoals alles wat zijn bestaan dankt aan evolutie- zich voortdurend aanpast aan veranderende omstandigheden. De groep van mensen jegens wie men geacht werd moreel te handelen werd in de loop der tijd steeds groter. Tegenwoordig omvat zij naar veler mening de hele mensheid. Bovendien heeft in de moderne westerse samenleving de primaire drang naar zelfbehoud zich verbreed tot een drang naar 'zelfverwerkelijking', de voorwaarde voor geluk. In het laatste hoofdstuk schetst Zwart de contouren van een ideale samenleving, een samenleving waarin alle mensen gelukkig zijn. Zij zou moeten zijn gebaseerd op een 'rationele moraal', die in principe voor iedereen aanvaardbaar is omdat ieder dezelfde rede heeft. Zo betoont hij zich een vooruitgangsdenker, in de beste traditie van de Verlichting.
De oorsprong van de moraal zal wel altijd onderwerp van speculatie blijven, omdat de oertijd ons op dit gebied geen sporen heeft nagelaten. Maar Zwarts theorie, die veel complexer en hechter is dan ik hier heb kunnen weergeven, verdient serieuze aandacht. Weliswaar is zij gebouwd op enkele aanvechtbare uitgangspunten (zoals de gedachte van groepsselectie en van een 'moreel instinct'), maar zelfs die worden stevig onderbouwd. Omdat Zwart bovendien helder schrijft en zijn theorie geduldig ontvouwt in een voortdurende discussie met andere opvattingen over moraal (niet alleen de sociobiologische), kan zijn boek ook uitstekend dienen als een algemene inleiding op dit gebied.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.