*

 

HERR BOMMEL

HANS ESTER − 09/02/96, 00:00

recensie Waarom zijn Ollie B. Bommel en Tom Poes wereldwijd niet even populair als pakweg Kuifje en Bobbie? De in de buurt van Amsterdam wonende Zwitserse schrijfster Jacqueline Crevoisier raakte al vroeg in de ban van Marten Toonders scheppingen en besloot iets aan dit manco te doen. Ze stelde Toonder voor om zijn verhalen in het Duits te vertalen. De schrijver achtte zijn werk echter onvertaalbaar. Om Toonder te overtuigen vertaalde Crevoisier dertien bladzijden op proef. Toen wist Toonder dat er inderdaad maar één persoon was aan wie hij deze klus kon toevertrouwen: Jacqueline Crevoisier.

De problemen begonnen direct al bij de namen: burgemeester Dickerdack werd 'Bürgermeister Rino Zero', kruidenier Grootgrut 'Krümer Grieshaber', belastingambtenaar Dorknoper 'Herrn Vorknöpfer'. De bediende Joost werd herdoopt in 'Justus' en Pee Pastinakel kreeg de ecologische erenaam 'Grünhold Rettich'. Rommeldam doemt in de vertaling op als 'Hammelburg'. Het grote werk kwam vervolgens met het vertalen van de karakteristieke Toonder-taal. In 'De bovenbazen' - om dit verhaal als voorbeeld te nemen - is de ironische toon zorgvuldig gehandhaafd: “ürmsten führen ein trauriges Leben voll Kummer und Sorgen.”

De proef op de som is uiteraard de taal van Heer Bommel zelf. Bij zijn eerste ontmoeting met Amos W. Steinhacker deelt heer

Bommel hem mee dat hij tot een andere categorie dan Steinhacker hoort: “Mijn laatste zaak? Ik doe geen zaken hoor. Ik ben een heer van stand.” In de vertaling is de joods aandoende voornaam vervangen en maakte de vertaalster Bommels antwoord tot een fraaie zelftypering: “Meine Letzte Transhacktion? Ick hacke nicht trans, wenn ich bitten darf. Ich bin ein Herr von Stand.”

mailIcon print |