*

 

Het beste uit Zuid-Afrika/Gedichten gekozen op schoonheid, niet op politieke correctheid

ONNO BLOM − 10/11/98, 00:00

recensie AMSTERDAM - Ondanks de goede naam die Zuid-Afrikaanse dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach hier hebben, verscheen er in Nederland nooit een handzame overzichtsbundel van de Zuid-Afrikaanse poëzie. De schrijver Adriaan van Dis - die ooit via een gedicht van Breytenbach tot de literatuur geraakte - en de vertaler Robert Dorsman maakten een einde aan dat onrecht. Voor 'O wye en droewe land' kozen zij samen honderd-en-een Afrikaanse gedichten uit de afgelopen eeuw.

“Dit zijn absoluut de beste gedichten die ooit in het Afrikaans zijn geschreven,” zegt Adriaan van Dis. “In Zuid-Afrika hebben bepaalde dichters een grote geur van heiligheid, maar daar hebben wij ons weinig van aangetrokken. We konden de poëzie met een grote frisheid benaderen.” Robert Dorsman knikt instemmend: “Meestal werden we het snel eens, al vond ik meer gedichten goed dan Van Dis. Hij was de strenge leermeester en ik mocht als enthousiaste leerling van alles aandragen.”

Drie jaar geleden begonnen beiden hun speurtocht naar de 'beste' Afrikaanse poëzie. Dorsman reisde daarvoor naar de Kaap en bracht weken door in Zuid-Afrikaanse bibliotheken. “Ik stuurde hele pakken gedichten uit Zuid-Afrika naar Nederland en kreeg ze met een tirade terug.” Van Dis: “Het was kak, man! Slecht, slecht, slecht.” Dorsman lacht: “Pas na lang beraad besloten we wie er in aanmerking kwam. Het is een zeer eigenzinnige bundel geworden.”

Van Dis: “Er is hier heel lang slechts politiek gekleurd naar Zuid-Afrika gekeken. Breytenbach was hier welkom, en Brink. Allebei schrijvers die zich verzet hebben tegen de apartheid. Maar er zijn natuurlijk ook schrijvers die onderdeel uitmaakten van die machinerie, of die aan de verkeerde kant stonden. En toch zijn daar hele goede dichters bij. Zo'n dichter als N.P van Wyk Louw (1906-1970) was politiek een zeer behoudend man. Maar als dichter was hij visionair. En dat telt. Schoonheid is ons criterium geweest.”

Van Dis bladert in de bundel en draagt op luide toon voor: “Moet ek vir iemand iets nog sê / in hierdie land / wat luid van alle stemme is / en blink en brand? // of waar die goue lug al lank / die aasvoël dra, / koud'n gedoemde waarheid weet / wat niemand vra?” In de vertaling van Dorsman: “Moet ik iemand nog iets zeggen / in dit land / dat luid van alle stemmen is / en schittert en brandt? // of, waar de gouden lucht allang / de aasvogel draagt, / koud en gedoemde waarheid weet / die niemand vraagt?”

“Dit is een doemgedicht van een voorspellende waarheid,” zegt Van Dis. “Iedereen in Zuid-Afrika wist dat het zo niet door kon gaan. In die treurige wetenschap leefden de mensen toch hun leven. Een bijna onbegrijpelijke cultuur. Maar iedereen wist dat het eindig was. En die eindigheid heeft iets heel dramatisch gegeven aan de taal en de poëzie, en vooral aan die van Van Wyk Louw.”

“We willen in deze bundel in grote lijnen laten zien wat er de afgelopen honderd jaar in Afrika is gebeurd,” vult Dorsman aan. “De dichters geven commentaar op het land, ze verwoorden het gevoel van innerlijke verscheurdheid. Het mooiste wordt dat onder woorden gebracht door Antjie Krog. Niet voor niets staan er zeven gedichten van haar in de bundel. Van haar poëzie gaan mijn baardharen staan. Lees nu eens de volgende strofe, uit het gedicht 'Grond': “My wou jy nooit / my verduur kon jy nooit / keer op keer skud jy my af / rol jy my uit / grond, ek word langsaam naamloos in die mond.” De grond wijst haar af. Afrika stoot haar weg, waardoor zij langzaam naamloos wordt. Prachtig.” Van Dis: “Maar het is pure projectie.” Dorsman: “Natuurlijk, maar zo voelde zij dat.”

Van Dis: “Ik ben allergisch voor de pogingen in Zuid-Afrika bloedbanden te smeden met Nederland. Wat bloedbanden? Het Afrikaans moge een derivaat zijn van het zeventiende eeuwse Nederlands - laat de Afrikaners nu maar eens Afrika gaan ontdekken. Ik heb het altijd idioot gevonden dat ze op de universiteit Roland Holst bestudeerden, maar niet wisten wie bijvoorbeeld de belangrijkste Nigeriaanse dichters waren.”

“Het jonge, lenige Afrikaans doet iets extra's voor de dichter,” vindt Dorsman. “Dat komt misschien doordat het een echte volkstaal is, waardoor de regels nog niet zo vastliggen. De invloed van de zogenoemde 'bruinmense' op de taal is groot.” Zo valt in de eerste regels van een gedicht van Sipho Sepamla te lezen: “Hela Baby! / Zwakala daarso / Of hoe se ek?” (“Hé schatje / kom eens dichterbij / hoor je me?”)

Van Dis: “Nog steeds is voor de meeste inwoners Afrikaans de eerste taal en niet het Engels - al wordt dat de taal van de toekomst. Engels is een paspoort naar de wereld, die ontwikkeling is goed te begrijpen.” Zo bezien zijn Van Dis en Dorsman net op tijd om te laten zien wat voor een goede dichters Zuid-Afrika telt. Sterker nog: kennelijk kwamen zij niet alleen tot die conclusie. Ook Gerrit Komrij blijkt bezig te zijn met een bundel Afrikaanse poëzie, als aanvulling op zijn drie bundels duizend-en-een Nederlandse gedichten uit verschillende tijden. Dorsman: “Onze 'honderd-en-een' is een knipoog naar Komrij. Ik zal zijn boek met argusogen lezen.” Van Dis: “Dat er zometeen twee bundels bestaan is helemaal geen probleem. Ons boek is het opstapje. Daarna kunnen de mensen Komrij lezen. Al betwijfel ik of hij duizend-en-een gedichten van zulke hoge kwaliteit bij elkaar zal krijgen.”

mailIcon print |