*

 

'Wie zijn gedachten de vrije loop wil laten, moet de gevangenis in van zijn werkkamer'

T. VAN DEEL − 19/01/96, 00:00

recensie Leonard Nolens: De vrek van Missenburg. Dagboek 1990 - 1993. Querido, Amsterdam; 208 blz. - ¿ 37,50.

Het dagboek, dat hij daarnaast bijhoudt, doet aan dit beeld geen afbreuk, integendeel, het versterkt het eerder. Het bevat de reflectie op deze compromisloze en afgezonderde bestaanswijze en bevestigt de onophoudelijke noodzaak ervan voor deze dichter. Missenburg noemt hij de plek waar hij zich dagelijks terugtrekt - uit een paar eerder gepubliceerde gedichten maak ik op dat de eigenlijke naam Missemburg is -, een symbolische naam, want 'missen' is een van de kernbegrippen in Nolens' gedachtenwereld. Het is een positief begrip, zoals ook lijden, eenzaamheid, twijfel, afstand positieve begrippen zijn en het beste en meest wezenlijke uit een mens losmaken.

Nolens' dagboek is niet een dagboek in de gebruikelijke betekenis van het woord. De dingen van de dag worden er niet in geboekstaafd, althans in het algemeen niet (de dood van koning Boudewijn vormt een uitzondering): “Het dagboek is er niet om je dagen te vertellen, maar om te zeggen wat ze met je doen.” Het geeft, zoals aan het eind van dit deel staat te lezen, de 'innerlijke boekhouding' weer van iemand die als een vrek met zijn gemoedsleven omgaat. “Is de schrijver, en zeker de dagboekschrijver, een vrek die zich levend het leven ontzegt om het te hebben?”

Hiermee raken we aan een van de repetente thema's die in Nolens' dagboek spelen: de verhouding tussen leven en kunst. Het is duidelijk, al door de totale overgave aan de poëzie, dat er voor deze dichter geen tegenstelling bestaat tussen beide. “Ik besta slechts dank zij de woorden waarvan wij zijn gemaakt.” Zijn leven heeft de vorm aangenomen van zijn gedichten en als die verschijnen en gelezen worden, krijgt zijn leven openbaarheid en wordt het gekend en herkend.

Dat laatste komt door het wonderbaarlijke vermogen van het gedichte leven om zowel individueel te zijn als algemeen herkenbaar. In aforisme-vorm: “Alle schrijven ontleent zijn waarachtigheid aan het talent om ik te zeggen zonder subjectief te worden.”

In de periode die dit dagboekdeel beslaat - van 1990 tot en met 1993 - viert de dichter Nolens de nodige triomfen: zijn verzamelde poëzie uit de jaren 1975 - 1990 verschijnt en hij krijgt de Staatsprijs. Dat brengt festiviteiten, optredens, stukken in de krant, kortom bekendheid met zich mee en verstoring van het zo gezochte en gewenste isolement. “Misschien heeft de groeiende erkenning van je werk” - Nolens spreekt zichzelf in zijn dagboek meestal toe in de tweede persoon - “je nog meer van jezelf vervreemd, omdat de discrepantie tussen het beeld dat de buitenwereld zich van je vormt en het donkere wezen dat je bent, evidenter is geworden, schrijnender. Je hebt er zelf aan meegewerkt. Je hebt toegestaan dat door interviews en optredens je permanente afwezigheid voor het voetlicht werd gebracht. Daar staat zij uit haar grote bek te stinken en maakt je sprakeloos. Want wat daar zit te wauwelen kan nooit die taal zijn, die mens die jaren hebt gezocht. Schaamte. De les: terug. Terug naar de obscuriteit.”

Ook in de liefde, een ander thema dat op de voorgrond treedt, speelt het alleen-zijn, de gezochte verwijdering van elkaar, om des te sterker de fundamentele betrokkenheid op elkaar te ondergaan, een belangrijke rol. In feite beleeft Nolens veel dingen door middel van hun tegendeel: “Wie zijn gedachten de vrije loop wil laten, moet de gevangenis in van zijn werkkamer. Hoe meer uiterlijke beweging, hoe meer innerlijke stilstand. Hoe meer leven in de brouwerij, hoe meer dood in de pot van de kunst. Er zijn er, misschien, die kunnen schrijven op straat; die kunnen denken op het marktplein. Maar jij weet dat je (. . .) alleen hier, tussen je boeken, in de stilte van dit bos overtuigend bent. Wie buitenkomt, is gezien.” Vandaar ook zijn voorkeur voor titels met een tegenstelling, zoals 'Blijvend vertrek' of 'Honing en as'.

Nolens' positie heeft wel iets weg van die van de kinderen in de laatste kamer, uit het gelijknamige gedicht van Albert Verwey. Ze verkeren, als kluizenaars of van de wereld afgewende monniken, ver van het dagelijks gedruis en zien dan beelden voor zich opdoemen, gedichten dus, die toch het wezenlijke omtrent het bestaan onder woorden brengen.

Alleen, Nolens' bestaanswijze als dichter en mens (wat bij hem dus op hetzelfde neerkomt) is veel gekwelder, hij houdt voortdurend twijfels in zichzelf wakker en neemt met geen antwoord op een vraag genoegen, hij belichaamt in zijn eindeloze zelfondervraging de rusteloosheid van de innerlijke reiziger die hij is en die zijn donkere en ook duistere, onbeminnelijke kant zowel wil tonen als bedekken.

Het dagboek is het monument van die tweespalt, het wil onderzoeken en verklaren, het wil uitleggen waarom deze dichter zo leeft, denkt en schrijft als hij doet, maar het vindt geen oplossing of laatste woord, en dat maakt ook juist de grootheid ervan uit.

Veel passages in het dagboek, hoe kan het ook anders, handelen over de taal, in het bijzonder over de taal in poëzie. Nolens beschouwt het taalgebruik als een vorm van leven. “De dichter die mijn leespatroon ontregelt, ontregelt mijn denkpatroon, mijn levenshouding zelf. Wij zijn een alfabet van vlees en bloed, en de zin die wij horen, lezen of schrijven is ook de zin die wij geven aan ons leven.”

Over de omgang van de woorden met elkaar binnen een gedicht - hij spreekt zelfs over een 'intrinsieke ethiek' - heeft hij prachtige dingen geformuleerd, die alweer de eenheid van kunst en leven op het oog hebben. Wat hem voor ogen staat, is een (utopische) fusie van die twee, een leven “op het niveau van je beste gedichten”.

Nolens' dagboeken, nu drie in getal, zijn steeds dichter genaderd bij het jaar van verschijnen. Ik weet niet hoe ze tot stand komen en of er een selectie wordt gemaakt, maar een feit is wel dat de lezer van deze boeken de indruk krijgt dat er gaandeweg per jaar steeds meer in het dagboek wordt geschreven: 1993 neemt de helft in beslag van 'De vrek van Missenburg'! En dat terwijl eruit blijkt dat, na jaren aarzelen, ook nog eens een begin is gemaakt met het grote prozaboek van duizend bladzijden waarin Nolens op zoek gaat naar de verloren tijd van zijn jeugd. Bovendien lijkt hij vastbesloten het ritme aan te houden van eens in de twee jaar een dichtbundel. Er zijn dus gelukkig nog veel berichten uit het tuinhuisje te verwachten.

mailIcon print |