*

 

Zelfs op momenten van troost keert Wiener zich af

ROB SCHOUTEN − 25/10/96, 00:00

recensie L. H. Wiener: Ochtendwandeling. Contact, Amsterdam; 144 blz. - ¿ 29,90.

Ook in Wieners nieuwe bundel, 'Ochtendwandeling' treffen we voornamelijk een nurkse man, die niet goed met de buitenwereld kan opschieten. Het begint nog neutraal met het verhaal van een leraar, Wiener zelf, die een speech moet houden bij de begrafenis van een geliefde, verongelukte leerling. Zijn verbeten kwaadheid op de veroorzaker van het ongeluk lijkt ook zonder misantropie verklaarbaar. Maar in de korte schets die daarop volgt over een klein jongetje dat een buurmeisje drop aanbiedt dat zij niet lust, zit de kiem van een fundamenteler ongeluk: de wereld zit vol demonen en gevaarlijke vijanden; zij deugt niet.

In al deze verhalen gaat het over angst, schaamte en onvermogen. In 'De trompofoon' wordt een jongen opgevoerd die tijdens een muziekuitvoering geen noot uit zijn saxofoon krijgt, in 'Tweemaal is scheepsrecht' gaat het om de angst die de schrijver heeft om onder zijn boot te duiken om de kiel schoon te maken, nadat hij in zijn jeugd een keer bijna verdronken is. In 'Voor 43,75 % uitverkoren' beschrijft hij zijn verhouding tot zijn joodse vader, die nadat zíjn vader in de eerste dagen van de oorlog met zijn moeder en broer zelfmoord heeft gepleegd, als enige overgebleven is en aan een soort antisemitisme is gaan lijden, in de vorm van een identiteitsomkering. Het is, in al zijn realisme, een wrang verhaal: de hoofdpersoon die na jarenlang onwetend te zijn gehouden van die voorgeschiedenis ten slotte een receptje in handen krijgt om het suïcidale gif te maken, 'voor het geval mijn vader zich nog mocht bedenken'.

Wiener is een kleine meester in het koel en zonder effectbejag oproepen van zulke gruwelmomenten. Dat geldt ook zeker voor de twee verhalen, waarin hij op contactadvertenties reageert, in het eerste met een onthutsend ruwe en openhartige brief: “Ik heb op deze brief nooit enig antwoord ontvangen, zodat ik met deze Mevrouw ook nooit ruzie heb gekregen en dat scheelt toch ten minste één geval van deernis. Alle beetjes helpen, tenslotte.”

In het tweede verhaal komt het wel tot een afspraak maar het is onverenigbaarheid op het eerste gezicht; nog voor de maaltijd begonnen is knijpt de contactzoekende dame er tussenuit.

En zo zijn er verhalen over de schaamte om bij de padvinderij te behoren, de verschrikking om een overwinning met schaken te behalen op een blinde tegenspeler, de huivering om ten slotte een kat aan te schieten, die een door de hoofdpersoon gevonden kraai heeft aangevallen. Alles wat eventueel tot een machtsgevoel zou kunnen leiden wordt direct begeleid door een gevoel van twijfel en onmacht.

Wieners werk doet denken aan een mengsel van Nescio en Jan Arends, het is klaar en sober maar tegelijkertijd zwart van menselijk tekort en Selbsthass. Op zijn best is hij als hij zich niet laat gaan en zichzelf met al zijn Pyrrusoverwinningen ziet staan, zoals in het slot van de padvindersgeschiedenis, wanneer men een wedstrijd knopen-leggen houdt, waarop de eenzame padvinder zich fanatiek heeft voorbereid:

“Enkelen worstelden verbeten verder met het onwillige touwwerk, anderen leken in hun onmacht tot gegiechel te vervallen. En plotseling begreep ik dat zij allemaal maar wat stonden te klungelen, dat geen van hen werkelijk had geoefend, dat niemand de wedstrijd serieus had genomen. Met andere woorden: dat mijn overwinning níets waard was, aangezien mijn tegenstanders hun naam niet verdienden, maar zich in die gedaante slechts stonden te vernederen!”

Minder overtuigend maar misschien wel zo authentiek wordt het wanneer hij zich wél laat gaan en enigszins studentikoos begint te kankeren, zoals over dit café: “In de zomer moet men rekenen op bierende moffen en op moffinnen beluste, gebitsarme autochtonen; in de winter is de klientèle beperkter en wordt dan gevormd door analfabetiese paardenhandelaren en gebitsarme autochtone deeltijdhomofielen.”

“Ik kom er graag”, voegt hij eraan toe want dat is het lot van de geboren mensenhater, hij wíl zich graag ergeren.

Het lijkt erop dat deze hoofdpersoon alleen een soort vrede vindt wanneer hij werkelijk alleen is, in solipsistische zelfgenoegzaamheid, bijvoorbeeld tijdens een zeiltocht over het IJsselmeer, karakteristiek genoeg gevuld met allerlei voor de gemiddelde lezer nauwelijks boeiend schipperslatijn: hier is niet alleen de hoofdpersoon maar ook de schrijver solipsist. een hoogst merkwaardige gewaarwording.

Toch eindigt de bundel met een opmerkelijke volta, in het verhaal waaraan de bundel zijn titel ontleent: 'Ochtendwandeling met Arend'. De schrijver bevindt zich met zijn kleine zoontje Arend in een Frans landschap, waar hij op een zeker moment een rokende cirkel aantreft waarboven een steenarend vliegt:

“Arend. . . fluister ik. . . die vogel daar, hoog in de lucht. . . dat is een Phoenix. . . een Phoenix is het. . . en dat betekent. . . mannetje. . . dat is een teken. . . de Goden hebben zich bedacht. . . en alles gaat opnieuw beginnen. . . Ik volg de tovervogel totdat hij, op duizelingwekkende hoogte, door mijn tranende ogen niet meer kan worden waargenomen.”

Kitsch van jewelste natuurlijk, maar nadrukkelijk ook niet voor de lezer maar voor de eigen ziel bedoeld. Zelfs in zo'n schaars moment van geluk en troost weet Wiener de lezer zijn rug nog toe te draaien. Dat maakt zijn werk even benauwend als fascinerend.

mailIcon print |