*

 

Anna Enquist, 'Een nieuw afscheid' Tijdloos heersen over eindigheid

GERTJAN VINCENT − 10/03/94, 00:00

recensie Anna Enquist, 'Een nieuw afscheid', uitg. De Arbeiderspers, 65 blz. - f 29,90.

het beginpunt van de schrijverscarriere van Enquist, die docente was aan het conservatorium, viel samen met het stoppen met pianospelen. Inmiddels is gebleken dat zij geen eendagsvlieg is: vorig jaar verscheen 'Jachtscenes' en vorige week de bundel 'Een nieuw afscheid'.

Het lezen van deze gedichten geeft me ongeveer hetzelfde gevoel als bij de eerste bundels van Kopland: het is vertrouwd en verrassend tegelijk. Je herkent die karakteristieke toon, maar de manier waarop de thema's verwoord zijn dwingt keer op keer je bewondering af. De titel verwijst naar het hoofdthema: de woede over het feit dat de dingen voorbijgaan, over het verlies van de tijd dat de kinderen klein waren, kortom het verwerken van het ouder worden. Maar bij Enquist is er nooit sprake van berustende nostalgie - zij bestrijdt het onvermijdelijke verstrijken van de tijd met de kracht van haar poetische beelden.

In de eerste afdeling van de bundel, 'Omtrent vertrek', komt het begrip 'afscheid' een aantal maal letterlijk voor, terwijl het in de overige gedichten zich meer manifesteert in de keuze van het onderwerp.

Het is niet verwonderlijk dat deze gedichten een hoge graad van muzikaliteit vertonen. Spel met toonladders maakt plaats voor klankspel met woorden, assonantie en alliteratie:

Vannacht was ik wakker, het waaide, regen striemde de kastanje terwijl het al licht werd, de nacht had geen rust gebracht. Ik wist wel hoe dat zat, ging slapen en ontwaakte in een stille morgen, wit van verdriet.

Het gedicht 'concert' laat zien hoe de worsteling van een cellist met zijn muziek in feite hetzelfde gevecht is als de dichter met zijn woorden levert:

(...) De vreemde wens om krachtig met de laars het houten hart te kraken, snel de stok te knakken in het verend middelpunt wijkt weg als de muziek gaat winnen, als de speler wordt getild, bevrijd: strijkend boven het slagveld kan hij even tijdloos heersen over eindigheid.

Dat is immers de hoogste voldoening: de tijd te vangen in woorden en te transformeren tot gestolde eeuwigheid. Met ogenschijnlijk simpele middelen bereikt Enquist dat resultaat, zoals blijkt uit het prachtige miniatuurtje 'Winterdag':

Mijn zoon was zeven jaar, zijn schaatsen waren veel te groot. Wij zagen vissen en een kikker onder ijs, suisden langs riet, langs elf verzonnen steden, aten bevroren chocola en zaten op de wal. Wij vonden in het veen een potscherf. Heel de wereld lag helder en droog aan onze voeten.

Hoe persoonlijk haar taalgebruik ook is, af en toe klinkt er een bekende echo in door. Zo moest ik bij de regels 'Daarna is er een oude vrouw zonder gezicht / die met een schaar de taal aan flarden / knipt en ons de imperfecte vormen / toewerpt (. . .)' onmiddellijk denken aan Camperts gedicht over Maranne Moore: 'Daar is dan een oude dame / Met een schorre stem als die van / Een winterse stad, maar warmte brandt / In het huis van de tanden.' Met de vijftigers deelt ze ook haar fascinatie voor het poeticale proces en de communicatieve problemen van het materiaal waarmee ze werkt: 'Ik let op hun lippen, luister / naar de kleine melodieen / van hun zinnen, spreek hun / taal maar niet de mijne.' En elders: 'Vrager en bevraagde spreken hun talen; zij roepen in / mijn hoofd en verstaan niets.'

Enquist laat zich opnieuw kennen als een dichteres die een hoge inzet niet schuwt - 'Onzichtbaar duw ik de tijd vooruit (. . .)' -, maar die zich, zij het tandenknarsend, schikt in het onvermijdelijke: 'Lever je over aan klok en aan kaart, / aanvaard het uur en de stuurse hand, omwille / van lucht, van brekende beelden, stom land.'

mailIcon print |