*

 

Dorothee Sölle zou zonder psalmen niet willen leven

TON VAN DER WORP − 15/09/95, 00:00

recensie Dorothee Sölle: Tegenwind - Herinneringen. Ten Have, Baarn; ¿ 39,90.

Dorothee Nipperdey trouwde in 1954 met de schilder Dietrich Sölle, en bij wie ze drie kinderen kreeg. Na de scheiding in 1964 bleef ze zijn naam dragen, ook nadat ze in 1969 getrouwd was met de voormalige benedictijner monnik Fulbert Steffensky, uit welk huwelijk de jongste dochter, Mirjam, werd geboren.

'Tegenwind' is geen autobiografie in de klassieke zin. “Ik heb niets verteld over mijn vader, niets over mijn ontmoetingen met Hannah Arendt, Ernst Bloch, Gustav en Hilda Heinemann of Johannes Rau, niets over mijn afschuw van haken en breien en niet voldoende over mijn lievelingsbezigheden zingen en zwemmen.”

Maar wat ze wél vertelt, is de moeite van het lezen waard. Om meer dan één reden. Het is niet alleen de toonsoort, die het boek tot zo aangename lectuur maakt: persoonlijk, zonder gewichtigdoenerij. Nergens krijg je het gevoel van 'kijk mij toch eens belangrijk wezen' (of het moest zijn wanneer ze met onverholen trots vertelt dat ze Heinrich Böll mocht tutoyeren en voortaan Hein mocht zeggen). Het is ook de reis door enkele decennia geschiedenis die ze de lezer laat maken, aan de hand van haar eigen leven. Een ooggetuigeverslag van dertig jaar theologie, beginnend met het boek waarmee ze op slag bekend werd: Plaatsbekleding - Een hoofdstuk theologie na 'de dood van God' (1965).

Dorothee werd in 1929 geboren in een burgerlijk milieu, dat onwillekeurig doet denken aan dat van Bonhoeffer: ook haar vader, Hans Carl Nipperdey, was een beroemd geleerde, jurist, professor te Jena en Keulen. Haar broer Thomas werd hoogleraar geschiedenis te München. Evenals Dietrich Bonhoeffer werd Dorothee opgevoed in een liberaal milieu waarin culturele vorming hoger werd geschat dan kerk en religie. “Dankzij de burgerlijke bescherming die ik in mijn ouderlijk huis had ondervonden, had ik slechts weinig besef van de werkelijkheid. Ik was twaalf jaar toen ik 'Die Winterreise' leerde kennen. Mijn twee jaar oudere broer Thomas sommeerde me naast hem aan de vleugel te komen staan en de zangpartij te doen.” En in haar dagboek noteert ze op 3 mei 1945: “Ik lees en leer Hölderlin, Shakespeare en Sophocles.” Zo'n milieu dus.

Op het gymnasium, in de barre laatste oorlogsjaren en de eerste jaren van de bevrijding (dat woord gebruikt ze), bibberend van de kou - 'ik bevroor in de afgedragen jassen van mijn broers' - en dankbaar voor de schoolmaaltijden, werd haar gaandeweg duidelijk dat niemand haar hielp om de Duitse catastrofe te begrijpen als de Duitse bevrijding.

Haar verhouding tot het christendom was kritisch-liberaal. “Ik respecteerde de kerk wel voorzover zij het had aangedurfd formeel protest aan te tekenen. Het woord 'verzet' leek me te groot, Dietrich Bonhoeffer was me destijds nog onbekend. Maar voor het overige vond ik het geloof een ongeoorloofde uitweg uit de te verduren duisternis. Als je niet terug wilde naar een burgerlijke levenswijze kon je in mijn generatie binnen de tradities van de middenklasse alleen maar nihilist worden. Nietzsche, Gottfried Benn, Heidegger, Camus en Sartre waren mijn gesprekspartners.”

In 1949 begon ze klassieke filologie, germanistiek en filosofie te studeren, maar ze vond daarin te weinig om van te leven. Het nihilisme had haar hongerig gemaakt. Toen, op haar twintigste, ontdekte ze Kierkegaard. “Hij verleidde me tot de religie.” Van hem leerde ze dat er een alternatief was voor het nihilisme: “Het gelaat van een mens, van een ten dode gefolterde van tweeduizend jaar geleden die geen nihilist was geworden.” Ze ging theologie studeren “om de waarheid te weten te komen”. Op weg naar Athene merkte ze plotseling dat ze eigenlijk naar Jeruzalem wilde.

Het is boeiend haar op die reis te volgen, kennis te maken met haar reisgenoten en met haar te toeven op haar pleisterplaatsen. Van Gogarten, een van haar leermeesters, kreeg ze een pijp, die ze jarenlang gerookt heeft. Over Bultmann vertelt ze dat 'deze wereldberoemde professor' jarenlang in zijn wijkkerk in Marburg met de collectezak liep. “Hij was het die me liet zien dat de man uit Nazareth onherkenbaar was gemaakt door de kerkelijke traditie, de gemeenplaatsen van de catechisatie, de verveling van de kerkdienst.”

Een bonte stoet van namen trekt voorbij in een levendige beschrijving van de stadia van haar theologische biografie: de tijd van het Politiek Avondgebed, de oorlog in Vietnam, waardoor ze van liberaal theologe een radicaal democratisch socialiste werd, en vervolgens haar 'ontdekking' van de bevrijdingstheologie die ze live opsnoof op haar reizen naar Chili, Argentinië, Bolivia, Nicaragua - kortom, het ganse gebied dat Bert Klei in die tijd wel 'het Heilige Land' noemde.

In de VS werd ze geconfronteerd met de feministische theologie ('toen God de man schiep, oefende zij alleen maar'), maar ze distantieerde zich nadrukkelijk van het 'separatistisch feminisme dat mannen buitensluit'. In dit verband zegt ze mooie dingen over het huwelijk, ook over haar eigen huwelijk met Fulbert. “Al een kwart eeuw lang lijdt Fulbert onder mijn te sterke thee en ik onder zijn te sterke koffie, en spot hij met mijn 'protestantse waarheidsmanie' en ik met zijn 'katholiek-beminnelijke gebrek aan scherpte'.”

Sölle heeft ruim veertig boeken geschreven (vrijwel alle in vertaling bij Ten Have verschenen). In 'Tegenwind' vertelt ze over de drijfveren en achtergronden van veel van die boeken, waarin zelden of nooit een voetnoot voorkomt. “Ik zocht naar een andere vorm van schrijven dan de wetenschappelijke (. . .). Mijn publiek bestaat vermoedelijk het grootste deel uit mensen die vervreemd zijn van de kerk en er op goede gronden niet meer heen kunnen gaan, maar desondanks het gevoel hebben dat ze in hun religie-vrije staat iets missen. Zij zijn op zoek naar en hebben behoefte aan iets anders. Dat zijn de mensen wier taal ik spreek.”

In de jaren zestig hield zij eens een rede die op mij toen grote indruk maakte: 'Die Kirche ausserhalb der Kirche'. Dat thema heeft ze later naar veel kanten uitgewerkt. Maar de kerk schreef - en schrijft - ze niet af. Ze zegt er bemoedigende dingen over: “Misschien is de kerk niet zozeer het op instortende staande huis dat wij zien, maar veeleer een tent voor het rondtrekkende volk van God. Of een paraplu die ons beschermt tegen de koude regen. Soms gaat hij te langzaam open en blijven we in de regen staan.”

Ze is altijd binnen de bedding van het christelijke geloven gebleven en schaamt zich niet daarvan getuigenis af te leggen. “Sinds tweeduizend jaar bestaat dat merkwaardige christendom dat heksen heeft verbrand, de conquista gesteund en de inquisitie uitgevonden, en dat nog altijd onderdrukking teweegbrengt. Desalniettemin geloof ik in Jezus Christus, in God, in de hoop en in de mensen.”

Veeleer dan een autobiografie is 'Tegenwind' een zelfportret van een tegendraadse, moedige, eigenzinnige, geëngageerde vrouw, grootmoeder inmiddels, die nooit bang was tegen de wind op te tornen en die nu de balans opmaakt: “Als je probeert God met anderen te delen, dus iets te zeggen dat boven de taal van alledag uitreikt, dan moet je op zoek gaan. En mijn zoektocht gaat niet in de richting van de wetenschap, in tegenstelling tot veel theologen die eigenlijk wetenschap willen beoefenen. Ik denk niet dat dat ons verder brengt. Ik geloof dat theologie (. . .) zichzelf moet zien als een poging de grenzen van de taal van alledag zo te doorbreken dat zij kunst wordt en geen abstracte, rationele en neutrale wetenschap. Waarom heeft de westerse wereld eigenlijk geen theopoëzie maar wel theologie voortgebracht? Zonder de psalmen zou ik niet willen leven. En zonder mijn eigen psalm al helemaal niet.”

mailIcon print |