recensie Rudi Rotthier: Kinderen van de krokodil. Atlas, Amsterdam; 359 blz. - ¿ 49,90.
Een luciferfabriek elders in hetzelfde land. Het vier- of vijfjarige jongetje haalt geen snelheid, het is vertederend onhandig. Voor elke twee stokjes die hij in de bakvorm aanbrengt, breekt hij een stokje dat al eerder in de solferlaag gestoken was. Hij wordt nog niet betaald, maar zijn moeder, die ernaast zit te werken, verzekert dat hij over een jaar betaald werk kan verrichten. “Iedereen moet werken, waarom hij niet?”
Het zijn slechts twee van tientallen schrijnende gevallen van werkende kinderen die de Belgische journalist Rudi Rotthier aantreft in India. Negen maanden - hij keerde begin dit jaar terug - reisde hij door dit land met bijna een miljard inwoners, legde 40 000 km af op zoek naar bewijzen van kinderarbeid (van kinderen tot 14 jaar) en schuldslavernij (van een kind of volwassene die vanwege een schuld voor iemand anders moet werken).
Hoewel Rotthier in zijn boek kiest voor de ik-figuur en daarmee zichzelf te centraal stelt, wat stoort, is het een schokkend verslag. Dit vanwege zijn nuchtere observering van de onmenselijke toestanden waarin naar ruwe schatting 55 tot 100 miljoen kinderen in India leven.
De Belg komt op zijn tocht kinderen tegen die gekocht zijn van arme ouders, blij met wat extra geld. Hij komt kinderen tegen die moeten werken omdat hun ouders geld hebben geleend van de eigenaar van een fabriek. Vaak werken de ouders zelf ook - soms om een schuld af te lossen die door hún ouders of zelfs grootouders of nog verdere generaties terug is aangegaan. Ze worden grotendeels betaald in natura, een paar handjes rijst, en komen nooit los van hun schuld. Schuldslaven heten ze, en daarvan zijn er, zo blijkt uit dit boek, miljoenen in India.
Een bezoek aan de regio waar tapijten worden geknoopt door naar schatting een half miljoen fijne kinderhandjes. Hoe kom je aan kinderen? Een jonge ondernemer antwoordt: “O, die koop je. Voor kleine bedragen, hoor”. Rotthier gaat op zoek naar ouders die hun kinderen hebben verkocht. In sommige dorpen, bijvoorbeeld rond de stad Varanasi, is er in ieder gezin wel zo'n kind. De ouders krijgen een klein bedrag als ze hun kind afstaan, en hun wordt een maandelijkse uitkering toegezegd. Die blijft meestal uit. Acties waarbij kinderen bevrijd worden, hebben doorgaans geen duurzaam succes: binnen afzienbare tijd bieden de ouders hun kinderen opnieuw te koop aan.
Over de oplossingen die in binnen- en buitenland worden aangedragen om iets te doen aan de kinderarbeid en de schuldslavernij, heeft Rotthier nog meer schokkende feiten te melden. Zo staan in een school, gesticht en gefinancierd door de arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties, Ilo, weefgetouwen in de klaslokalen. De school is bedoeld om kinderen weg te houden uit de tapijtindustrie. Maar de Ilo controleert deze school niet, bezoekt de eigen projecten niet zelf, besteedt dat uit, aan individuen die het niet zo nauw nemen met de Ilo-doelstellingen.
Een ander dieptepunt in buitenlandse bemoeienis blijkt het Rugmark, een keurmerk voor tapijten die zonder kinderarbeid vervaardigd zouden zijn. De introductie van het Rugmark op de westerse markt, begin dit jaar, was een initiatief van Indiase anti-kinderarbeidgroepen en van Duitse actievoerders. Rotthier echter ontdekt dat twee van de drie drijvende industriële krachten achter dit keurmerk niet deugen. Het controlesysteem faalt daardoor. Hij haalt een bestuurslid van het Rugmark aan: “Zoals het er nu uitziet wordt enkel de industrie beter van het Rugmark. Zij verhoogt via het Rugmark haar omzetkansen”. Kortom: kinderen worden er niet beter van, ze knopen als vanouds tapijten.
In de kleding-industrie loopt het niet anders. Slecht nieuws voor de vakcentrale FNV, die actie voert tegen kinderarbeid. Vorige week behaalde de FNV nog een kleine overwinning op de grootwinkelbedrijven in Nederland, door af te spreken dat er een gedragscode komt voor Nederlandse winkels. De aangesloten winkels - waaronder C & A - willen aan die code gaan voldoen: en dat betekent onder meer geen kleding verkopen waaraan kinderen gewerkt hebben. Na lezing van het reisverslag van Rotthier lijkt die belofte niet uitvoerbaar. Tot de C & A-fabrieken krijgt hij geen toegang, maar lukraak bezoekt hij een aantal andere grote kledingexporteurs en allemaal hebben ze kinderen in dienst. Zijn conclusie: het lijkt uiterst onwaarschijnlijk dat C & A de deuren voor kinderen gesloten houdt.
Maar er is erg en erger. De kinderen die kleding maken voor grote buitenlandse bedrijven, moeten weliswaar 16 uur per dag werken, maar krijgen een naar Indiase begrippen redelijk loon. Weliswaar beklaagt Rotthier ook de dreumes die voor een groot bedrijf “de hele dag achter een knoopmachine zit”, maar hij constateert tevens dat zo'n kind “zich ondertussen amuseert, naar muziek luistert, dolt met de volwassenen in zijn omgeving en drie avonden per week naar de bioscoop gaat”.
Hoe kleiner een bedrijf, hoe groter de uitbuiting, is een van zijn bevindingen. Terwijl actievoerders vaak het tegenovergestelde beweren. Multinationals worden vaak aangevallen op hun arbeidsvoorwaarden in landen als India, maar in vergelijking met de kleine lokale industrie zijn die voorwaarden lang niet slecht, merkt Rotthier.
Waarom komen ze niet in opstand, die miljoenen kinderen en volwassenen die in deze ellende zitten? Allereerst - zegt de schrijver - omdat hun levensonderhoud al hun krachten opeist; bovendien hebben ze geen enkele opleiding. Zelf zegt een kind: je kunt niet tegelijk in de rivier zwemmen en de vijand van de krokodil zijn. Je komt niet in opstand tegen je baas. Daarbij: wat voor alternatief hebben deze kinderen? Scholen voor de armen, als ze er al zijn, zijn van slechte kwaliteit en bieden hoogstzelden een betere toekomst. En wat zal je op school zitten als je honger hebt?
De Indiase overheid toont zich ongevoelig voor de sociale problemen, merkt Rotthier keer op keer. Initiatieven tot grondig onderzoek neemt ze niet; ze speelt vaak met de commerciële uitbuiters onder één hoedje. Dat is niet alleen in ethisch opzicht fout, ook voor de economische toekomst van het land is die weg verkeerd. Kijk naar de Aziatische snelle groeiers: die geven veel geld en aandacht aan onderwijs. India besteedt daar, aldus Unicef, twee procent van de begroting aan, Zuid-Korea 16 procent.
Experts die de Belgische journalist spreekt wijzen telkens op het kastesysteem en het hindoeïsme als oorzaak van de gelatenheid waarmee armen én rijken de zaak op haar beloop laten. India telt ruim 800 miljoen hindoes. “Het hindoeïsme bekrachtigt de uitbuiting en sust het slachtoffer. Na 3000 jaar kastesysteem zijn de Indiërs niet sociaal-voelend, een medemens die een trap lager op de sociale ladder staat heeft dezelfde status als een kast of een stoel.”
Het zijn sombere conclusies, zeker als vervolgens een Indiase onderzoeker vaststelt: “Je mag een kast op straat zetten, je mag een stoel aan stukken hakken”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.