recensie De adelaars' en 'De meisjes en de partizanen' zijn verschenen bij uitgeverij De Geus in Breda.
Zijn schrijvende alter ego heeft dan ook reden voor tevredenheid. De eerste verhalenbundel 'De adelaars' uit 1993 werd meteen beloond met Het Gouden Ezelsoor, de prijs voor het best verkochte debuut in dat jaar. 'De meisjes en de partizanen' uit 1995 voerde verder op de weg naar roem en heiligheid. Deze tweede bundel haalde de longlist van de AKO-prijs. Daarbij krijgt hij morgen het Charlotte Köhler-stipendium, een aanmoedigingsbeurs van tienduizend gulden voor de meest veelbelovende auteur van het moment.
“Al in mijn kindertijd was Abdolah er”, zo vertelt de Iraans-Nederlandse schrijver in een café in het centrum van zijn woonplaats Zwolle. “Ik was bang voor hem, want ik kon hem niet zien. Hij liep steeds in het donker. Veertig jaar heb ik tegen hem gevochten. Ik heb gehuild. In mijn dagboeken schreef ik: 'God, red me van hem die in mij zit. Hij maakt me kapot. Hij was het ook die mij gevaarlijke dingen deed doen, die me tot activist maakte in mijn land.”
“Toen Khomeini onze partij vermorzelde, wilde ik weg. Maar niet Abdolah. Die wou tot het eind blijven. Eeé ding stond namelijk altijd vast. Abdolah wilde een schrijver. En dus wilde hij in Iran alles zien om ooit nog eens een roman te kunnen schrijven. Want je wordt pas een heilige schrijver als je belangrijke daden hebt verricht.” Van een van zijn kameraden die sneuvelde in de strijd tegen de islamitische dictatuur in zijn land, nam hij de naam Kader Abdolah als pseudoniem over.
Eenmaal in Nederland, werd de innerlijke strijd nog feller “omdat ik worstelde met de nieuwe taal. Abdolah zei: 'Ga maar tussen de rails liggen'. Of hij zei: 'Spring van dat hoge gebouw af.' Ik zou in Nederland een baan hebben kunnen zoeken in mijn oude beroep als natuurkundige. Maar Abdolah accepteerde een lager baantje. Hij wilde in een bibliotheek werken om daar de geschiedenis van de Hollanders te leren kennen. Hij wilde van de wereld daar en die in Nederland één nieuwe maken.”
Maar ten laatste leste heeft hij zich nu gewonnen gegeven aan Abdolah. Die laat hem op zijn beurt geen gevaarlijke dingen meer uithalen. Samen werken ze aan die langgedroomde en gevreesde roman. Een eerste, voorlopige versie is klaar, zo zegt hij niet geheel zonder trots. Drie maanden kostte hem dat. De werktitel: 'De reis van de lege flessen'. Het thema blijft dat van de twee verhalenbundels, het leven van een balling in Nederland. Over een jaar moet de roman in de boekhandel liggen.
En dat alles terwijl hij nog maar acht jaar in Nederland woont. Zijn succes in de Nederlandse letteren getuigt van een ijzeren discipline, onbuigzame wil en vechtlust. Die trekken liggen ook in zijn uiterlijk en optreden besloten. De donkere ogen blikken intens vanachter de brilleglazen. Nu eens schieten ze vuur, dan weer verhardden ze zich. Maar soms staan ze ook ongekend droevig. Ze verraden een oude geest, één die veel ouder is dan de veertig jaren die de schrijver telt.
Uiterst geconcenteerd past hij in het gesprek de zinnen in elkaar, zodat hij weldoordacht maar ook nagenoeg foutloos Nederlands spreekt. Alleen zijn g- en ch-'s klinken zelfs voor Hollandse oren ongemeen hard. En hij breekt zijn tong steeds - heel symbolisch - over dat ene woord: bui-ten-staan-der.
Zo gedreven is hij, dat niet één enkele dag voorbij mag gaan zonder te schrijven. “Al is het maar één zinnetje. Schrijf ik niet, dan word ik ziek.” In de trein, op de fiets naar zijn werk op het Rijksarchief te Zwolle, waar hij oude boeken en manuscripten catalogiseert, of tijdens het hardlopen, altijd is hij bezig. “En hoe langer de afstand die ik hardloop, des te meer er boven komt.” Op het archief heeft hij twee pauzes. Ook die benut hij om teksten uit te werken of te corrigeren.
Hij diept een notitieblok uit zijn schooltas en slaat die open. De vellen zijn allemaal in een regelmatig handschrift - en direct in het Nederlands - volgeschreven, met overal doorhalingen en toevoegingen. Op elk van de vellen zit een tweede geniet met de verbeterde versie. Steeds tikt hij 's avonds de tekst van de vorige dag in op de computer. Totaal doorloopt elk verhaal zo vier grote versies. Zijn roman is momenteel aan de tweede toe en het is kenmerkend voor zijn planmatige aanpak dat hij nu al weet hoe lang die fase zal duren: “Vier maanden.”
Al schrijvend aan de roman is Abdolah, de kwelgeest die zo lang in het duister wandelde, voorzichtig naar het licht toe gekomen. Op de vraag of hij het gezicht heeft van de lijn van 'grote mannen' uit zijn familie die zo vaak in zijn verhalen voorkomen antwoordt hij bevestigend. “Hij is die sterke mannen plus de beelden en gezichten van mijn kindertijd.”
Bovenaan in die lijn staat overgrootvader, destijds premier van het land en beroemd dichter. Over hem gaat het verhaal 'En toen waren wij aan de beurt' uit de tweede bundel. De vader vertelt daarin onder de oude treurwilg in de tuin de kinderen over deze grote man van wie elke Pers gedichten uit zijn hoofd kende. Hij had 'magie in zijn vingers'. Maar de sjah liet hem vermoorden. “En de magie? Ging die dood?, vragen de kinderen. “Nee. De magie kon niet dood”, zegt vader. “Waar blijft die dan? Die zit nu misschien in de toppen van de vingers van één van julllie.”
Behalve de vader die in meer verhalen zit, heeft Abdolah vooral ook het gezicht van de oom van de schrijver. Want die las met hem de oude Perzische literatuur, die koos hem - en niet één van zijn eigen zoons - uit om de droom van de familie te vervullen ooit weer een groot schrijver te hebben. De neef verzucht in Zwolle: “Al ga ik nooit meer terug naar Iran, hem wil ik nog een keer ontmoeten. Daarom komt hij elke nacht terug in mijn dromen.”
Het is de zucht naar wraak voor die gedode overgrootvader die maakt dat hij geen moment wil verslappen. Maar evenzeer schrijft hij als bezeten voor zijn jongere broer, die door het huidige bewind in Teheran werd terechtgesteld en al die andere slachtoffers. “Ik verzet me met Nederlandse woorden tegen de Iraanse dictatuur. Ik schrijf de geschiedenis van een volk. Het is mijn manier van vechten. Ik probeer zo de doden weer tot leven te wekken, terug te pakken wat de dictatuur me heeft afgenomen”
Maar hij schrijft ook om de angst in hemzelf te bezweren, zo geeft hij toe. “Een kunstenaar die ballingschap leeft, is altijd angstig. Hij is bang alleen achter te blijven. Hij blijft altijd een buitenstaander. Op de vlucht geldt ook de wet van de jungle: alleen de sterksten overleven. Veel trekvogels storten neer. En onder in de kelder zijn velen aan hun poten opgehangen.”
Wie wraak zoekt, krijgt zeker veel energie. Maar is hij niet bang dat die zucht hem uiteindelijk zal verteren? Hij haalt meewarig zijn schouders op. “Ik ben een tak van een oude appelboom. Ik kan niets anders dan appels produceren. Ik heb er niet voor gekozen om schrijver te worden. Maar toen ik werd geboren, hebben ze er bij mij een Abdolah in gestopt.”
Zijn eerste Nederlandse bundel noemt hij nu een 'poging mijn oude titel van schrijver terug te krijgen' (in Iran had hij al twee boeken op zijn naam staan, die alle twee verboden werden). In 'De meisjes en de partizanen' oefende hij bewust met allerlei verhaalvormen “om zo mijn eigen weg te vinden in Nederlandse literatuur. De komende roman moet bevestigen dat ik er echt ben, dat ik geworteld sta in de tuin van de Nederlandse literatuur.”
In alle recensies over de tweede bundel werden steeds het reeds aangehaalde verhaal 'En toen waren wij aan de beurt' alsmede 'Oosterse sluiers' geroemd. Beide verhalen zijn in feite prozagedichten. Ze bestaan uit gedrongen, geserreerde zinnen, met veel wit ertussen, die erom vragen gereciteerd te worden. Gedrenkt in melancholie en boordevol indringende beelden roepen ze de sfeer op uit oude Perzische gedichten en sprookjes.
Maar ook het wat vorm betreft conventionelere korte verhaal 'Rivieren zijn getuigen', sprong eruit. Het laat zien hoe de twee werelden, waarin elke vluchteling leeft, met elkaar in botsing komen. De IJssel neemt de hoofdpersoon mee terug naar de rivier waarop hij uitkeek vanuit zijn geboortehuis in Iran. Hij verwacht dat de rivier iets meevoert en dat ze hem iets onverwachts zal laten zien. “In mijn vaderland voeren de rivieren vaak een lijk mee.” Het is de thematiek van dit verhaal en toon en vorm van de twee prozagedichten die hij voor de roman als uitgangspunt heeft genomen.
Daarin zal hij ook weer met veel witregels wit werken. Een gebruik dat hij verklaart vanuit de Koran-traditie, die hij in zijn jeugd meekreeg. “Hoewel ik zelf niet gelovig ben, zie ook ik het woord als heilig. Zoals in het Heilige Boek staat, mag je een woord niet werkeloos op papier zetten. Het moet een functie hebben, anders begint het te rotten, gaat stinken en verpest je alinea. Daarom geef ik maar één zinnetje, de rest krijgt daartussenin vorm in de gedachten van de lezer. Wat een lezer zelf kan bedenken, mag ik niet op papier zetten.”
Het is ook vanuit die eerbied voor het schrift dat zijn eerdere uitspraak begrepen moet worden dat hij de top van de Nederlandse letteren wil bereiken. “Ik wil toveren met de Nederlandse woorden, hen magie inblazen. Dat is nu nog niet gebeurd. En of het ooit echt lukt, is niet belangrijk. Ik heb zelf dat vuur nodig om te branden in mijn toekomst. Maar het zinnetje zelf is ook belangrijk. 'Een buitenlander wil ...'. Daar staan mensen bij stil, dat blijft hangen omdat het woord heilig is.”
Om de “vochtige, koude Nederlandse woorden de warmte van de Perzische poëzie” te geven, bestudeert hij eeuwenoude gedichten uit zijn vaderland. Daar wil hij de magie van het woord vinden. “Ik bedoel niet de verhalen van Duizend-en-één-nacht. Die zijn toch te oppervlakkig. Het gaat om de verhalen waarin je geen woord kunt wegkruisen, waarin proza melodie heeft, zingt en beweegt.” Hij zegt zangerig regels uit 'Oosterse sluiers' waarin hij vindt dat effect bereikt te hebben: “Wie heeft mij naar het gras achter die dijken verbannen, zo alleen met de paarden achter de draad?”
In de Nederlandse poëzie vindt hij deze kwaliteiten ook. Weer reciteert hij, dit keer de oudste Nederlandse regels: 'Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu' Enthousiast: “Dat is gewoon Perzisch. Geen woord kan weg. En het heeft melodie. Je zou er een hele roman over kunnen schrijven van een man die van een vrouw houdt, maar er zijn problemen. Ze kunnen niet bij elkaar zijn. Maar eigenlijk is die ene zin genoeg. Je hoeft niet alles uit te leggen. Zulke zinnen zijn heilig, ze blijven tot het eind der tijden.”
“Ik zoek op deze manier een nieuwe moedertaal. Want toen ik vluchtte, heb ik de oude woorden de rug toegekeerd. En niemand wil zijn eigen vaderland met je delen. Een nieuwe taal krijg je niet, die moet je zelf maken. Ik wil bereiken dat iedereen bij het openslaan van mijn boek direct zegt: 'Maar dit is niet de wereld van de Nederlandse taal' en dan: 'Maar het is wel Nederlands'.”
Op het eind van het gesprek leunt hij vermoeid van het nauwkeurig formuleren achterover. Als ik vraag naar zijn echte naam, somt hij een rij van vijf namen op. Wil hij ze opschrijven? Ja hoor, zucht hij, en pakt zijn vulpen. Maar dan bedenkt hij zich. “Nee, mijn echte naam is het gordijn waarachter ik schuil ga. Alleen af en toe schuift het opzij. Abdolah kijkt er tussendoor.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.