*

 

Joost Zwagermans spel met literaire clichés

ROB SCHOUTEN − 05/09/97, 00:00

recensie Schrijven over het feit dat je niet schrijven kunt, het is de favoriete therapie van schrijvers om van hun writer's block verlost te worden, het noodlot om te smeden tot een zegen. Maar als zodanig ook een van de meest afgelikte thema's uit de literatuur (wat intussen wel iets zegt over de frequentie waarmee writer's blocks voorkomen.) Je moet van goeden huize komen om er nog iets origineels van te maken.

Joost Zwagerman maakte het tot onderwerp van zijn nieuwe roman 'Chaos en rumoer'. Schrijver Otto Vallei zit artistiek vast, z'n boeken verkopen matig, zijn inspiratie is opgedroogd. Hij heeft bij zijn uitgever het lumineuze idee gelanceerd om dan maar over zijn impasse te schrijven, maar besluit te elfder ure toch maar om z'n schrijversambities aan de wilgen te hangen. Dan verschijnt van collega-schrijver Waterman een boek dat ook al over een schrijversimpasse gaat en zelfs over de oplossing die Vallei zelf in de tussentijd heeft gevonden: een baantje als presentator bij een kunstprogramma op de radio. Hij meent zichzelf te herkennen in de hoofdpersoon en beschuldigt Waterman van plagiaat en zijn eigen uitgever van het doorspelen van ideeën en feiten uit zijn persoonlijk leven.

Genoeg voor een hilarische roman met een immanente, zichzelf beschrijvende inhoud. En dat van een auteur die zich tien jaar geleden in zijn roemruchte stuk tegen de verstarring in de poëzie 'Het juk van het grote niets' juist keerde tegen vormen van 'schrijven over schrijven'. Maar Zwagerman behandelt het onderwerp, anders dan de zwaarwichtige patiënten van writer's blocks, dan ook lichtvoetig en virtuoos. Zonder de pretenties om een groot innerlijk schrijversconflict weer te geven maar met veel gevoel voor de absurdistische kantjes ervan.

'Chaos en rumoer' is een roman met speels-Nabokoviaanse trekjes. Door in het verhaal de werkelijkheid van Vallei door Waterman ook nog eens te laten fictionaliseren, speelt Zwagerman met de eeuwige literaire oppositie tussen realisme en fictie. De suggestie dat 'Chaos en rumoer' zélf ook nog eens de realisering van een project van Vallei is, die in de laatste regels van het boek het schrijverswerk toch weer opneemt, geeft er nóg weer een dimensie aan. Het grappige is dat kenners van de literaire wereld in dit boek allerlei literaire grootheden uit de werkelijkheid in vermomming zullen herkennen (Het uitgeversduo Sontrop en Ros, Adriaan van Dis, een figuur met trekjes van Bernlef als ik me niet vergis). Dat zet je ongemerkt op het verkeerde been. Niet alleen Vallei denkt dat Waterman een sleutelroman heeft geschreven, maar als lezer denk je ook dat Zwagerman er een heeft willen schrijven. Tot je je realiseert dat hij het genre juist op de hak heeft willen nemen. Want terwijl Vallei zichzelf in de hoofdpersoon herkent, herkennen zijn collega's van het radioprogramma 'Chaos en rumoer' (een titel die ook al weer 'lijkt' te verwijzen naar programma's als 'Ophef en vertier') zich juist in de satirische beschrijving van hun programma (zonder Vallei te herkennen), en menen ook andere auteurs dat juist zíj exclusief in de roman van Waterman zijn afgebeeld. Kortom, een illustratie van het feit dat men in zulke romans maar al te bereidwillig zichzelf beschreven voelt, terwijl het in feite juist over formidabele, algemene clichés uit de literaire wereld gaat.

Zwagerman speelt een ingenieus spel met de sleutelroman en de boosheid van de vermeende slachtoffers, die zich niet willen laten misbruiken en daardoor juist in de val lopen: “De grens was bereikt. Tot hier en niet verder. Hij ging in verzet. Hij liet zich niet fictionaliseren.”

Het in wezen gecompliceerde 'verhaal-in-verhaal-in-verhaal'-gegeven van 'Chaos en rumoer' is door Zwagerman zo fijntjes in elkaar gestoken dat je de vinger niet goed kunt krijgen achter de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Omdat het verhaal vanuit het zicht van Otto Vallei is geschreven denk je aanvankelijk dat hij in zijn goed recht staat, maar al lezende kom je erachter dat hij in feite zijn eigen, door een ander verwezenlijkte wensdromen projecteert. Blijft niet veel meer over dan een armetierige querulant die het na zijn writer's block maar weer op een schrijven zet.

Intussen neemt Zwagerman in deze roman, die ook een soort commentaar is op Geerten Meijsings sleutelroman 'De grachtengordel', wel degelijk de gelegenheid te baat een venijnig beeld neer te zetten van de literaire wereld. Maar juist doordat hij de sleutelgat-positie van dit soort boeken ook weer in twijfel trekt, kun je hem niet precies vangen op dat voor de hand liggende motief.

Zo bevat dit boek hilarische passages over de toneelwereld of over de zogeheten 'zuipschrijvers', de literaire kroegtijgers: “nabij de beroemde boekhandel Amicorum waren, als een kring van coffeeshops rond een middelbare school, een stuk of wat cafés gevestigd met een literaire clientèle. Die cafés zagen er vanbinnen uit als de clubhuizen van klaverjasverenigingen; de grauwe en groezelige interieurs waren in overeenstemming met het soort schrijvers dat zich er bij nacht en ontij ophield. Voor de leek die geloofde dat een schrijver een soort halfgod was, betekende één stap in zo'n drankbak een radicale vernietiging van alle illusies en droombeelden. Geen godheid of hoogromantische poète maudit te bekennen. In plaats daarvan trof je er een stel ongezond ogende mannen met het charisma van een pomphouder of verzekeringsagent, gekleed in bevlekte regenjassen van een model waar zelfs een gedegradeerde voetbaltrainer zich niet in zou durven vertonen.”

Het schrijversgetto rond de Amsterdamsa boekhandel Athenaeum, denk je onvermijdelijk, om je onmiddellijk ook weer te realiseren dat het om een satirische gemeenplaats gaat.

En zo zet Zwagerman in een energieke stijl het literaire wereldje neer, dat zichzelf zowel beloert als een loer draait. 'Chaos en rumoer' is tenslotte wel degelijk een immanente roman over het schrijven, heel erg zelfs, maar het literaire navelstaren is hier tot een vrolijkmakende, literaire klucht geworden. En Zwagerman zelf lijkt er juist helemaal geen last van te hebben: van zo'n writer's block.

mailIcon print |