*

 

President Carter preekte nederigheid en had daar ook steeds meer reden toe

HANS VELDMAN − 05/09/97, 00:00

recensie In de door Amerikaanse historici zo graag samengestelde presidentiële hitparade maakt Jimmy Carter een ware revival door. Terwijl zijn presidentschap in de jaren tachtig als ondermaats werd afgedaan, zijn er nu zelfs historici die verwachten dat Carter in aanmerking komt voor de Nobelprijs voor de vrede.

Als directeur van het 'Carter Center' heeft hij grootse voedsel- en woningbouwprojecten in Afrika geïnitieerd, zich ingezet voor de mensenrechten en niet zonder succes vredesmissies uitgevoerd in Haïti, Somalië, Noord-Korea en Bosnië.

De lof die Carter nu oogst, contrasteert scherp met de kritiek die zijn presidentschap opriep. Toch bracht hij het er als president niet slecht van af. Van zijn wetsvoorstellen werd bijna tachtig procent door het Congres gehonoreerd. In zijn buitenlandse beleid baarde hij opzien met het Camp David-akkoord, de overdracht van het Panamakanaal, en het SALT-II-akkoord.

Peter Bourne, psycholoog en oud-medewerker van Carter, vindt niettemin dat diens zwakke presidentiële reputatie bijna voorspelbaar was. Carter was zeer religieus. Als lid van de Southern Baptist Church was hij actief geweest in zendings- en ander kerkenwerk. Zijn verkiezingstoespraken waren doorspekt met verwijzingen naar het geloof en als president presenteerde hij zich soms als leider van een nationale revival meeting, die de natie weer op het rechte pad kon brengen. Als een individu de Verlosser kon omarmen en wedergeboren kon worden, dan moest - meende hij - ook de natie daartoe in staat zijn.

Hoezeer de Amerikanen aanvankelijk ook van 'Jimmy' gecharmeerd waren, naarmate zijn presidentschap vorderde werd hij meer en meer beschouwd als de belichaming van het verval dat de Verenigde Staten in de tweede helft van de jaren zeventig trof. Zijn oproepen tot opofferingsgezindheid en gematigdheid vloeiden weliswaar voort uit zijn religieuze overtuiging, maar naarmate de economie verslechterde werden zijn toespraken steeds meer als tobberig en zeurderig ervaren. Toen de inflatie verergerde en de prijs van benzine spectaculair steeg, bereikte zijn populariteit een dieptepunt. Hoe kon een president van zijn landgenoten verwachten dat ze gemeenschapsbesef ontwikkelden, terwijl zij elkaar niet konden ontmoeten omdat ze geen geld hadden om de tank van hun Cadillac te vullen?

Naast het baptisme waren het vooral de publicaties van de filosofen Reinhold Niebuhr en, later, Christopher Lasch, die een grote invloed op Carter hadden. Van Niebuhr leerde hij dat hij als gelovige de politiek kon dienen door nederigheid te prediken. Volgens Niebuhr gold deze boodschap ook voor naties. Zijn waarschuwing tegen Amerikaanse arrogantie in de wereldpolitiek werd door Carter ter harte genomen. Zozeer zelfs dat de president, ondanks zijn diplomatieke successen, een bijzonder soft imago had.

Ook Carters enthousiasme over Christopher Lasch' 'The Culture of Narcissism' illustreert het isolement van zijn presidentschap. Lasch betoogde dat de moderne cultuur er een was van het 'ik-tijdperk', van mensen die louter gericht waren op succes zonder inspanning en die sterke emoties en bindingen ontweken. Carter zag hierin de reden waarom hij als president met zijn boodschap van zelfopoffering en vaderlandsliefde zijn Amerikanen, 'zijn gemeente', niet kon bereiken.

Met zijn zijn vaak getoonde twijfel was Carter het toonbeeld van een president die zijn rol verkeerd opvatte. Hij paste weliswaar precies in de ethisch-culturele reactie tegen de vermeende ontsporing van de Amerikaanse natie, maar maakte als president de fout, het kwetsbare van Amerika tot norm te verheffen.

Een diplomatiek dieptepunt in Carters presidentschap was het gijzelingsdrama in de Amerikaanse ambassade in Teheran, dat in 1979 begon. Bourne beschrijft het pakkend. In juli 1980 vloog een medewerker van het campagne-team van Reagan naar Libanon, waar hij een ontmoeting had met Bassam Abu Sharif, een topmedewerker van Yasser Arafat. Sharif werd gevraagd zijn pogingen om de Amerikaanse gijzelaars in Teheran vrij te krijgen, te staken en zijn invloed aan te wenden om de vrijlating na de verkiezing te laten plaatsvinden, op de dag dat Reagan het Witte Huis zou betreden.

In ruil kreeg de PLO de belofte dat de toekomstige regering-Reagan haar als officiële vertegenwoordiger van de Palestijnen zou erkennen. Volgens Bourne was Carter van de geheime actie van Reagans team op de hoogte. Bourne onthult ook dat Carter van president Menachem Begin het aanbod kreeg, via Israël wapens aan Iran te leveren om zo de gijzelaars vrij te krijgen.

Niebuhrs waarschuwing tegen het arrogante optreden van naties weerhield de president ervan dit zondige spel mee te spelen. Toen Reagan zijn intrede in het Witte Huis had gedaan, kwamen de Amerikaanse gijzelaars vrij en binnen tien dagen werden de eerste Amerikaanse wapens aan Iran geleverd.

mailIcon print |