recensie W. Drees: Op de kentering, Beschouwingen over de toekomst van Nederland. Verzorgd en ingeleid door H. Daalder en J. H. Gaemers. Bert Bakker, Amsterdam; 1996, 227 blz. ¿ 34,90.
Het aantrekkelijke van zo'n tweedeling is dat je in één klap van veel problemen verlost bent. Je hoeft geen rekening meer te houden met christen-democraten of D66-ers. Evenmin met Groen Links of Klein Rechts. Laat staan dat je je ook nog zou bekommeren om de Janmaats of een bejaardenpartij. Want zo'n tweedeling zegt dat het in feite evenzovele varianten zijn op hetzelfde thema, namelijk de juiste verhouding tussen de markt en de overheid. Neigt een christen-democraat er toe veel markt in zijn beleid te doen? Prima. Dat mag. Maar dan hoort ie gewoon bij het liberale kamp.
De vraag is of het zo simpel is. Is hier niet van een schijntegenstelling sprake? Per slot van rekening is een liberaal niet zo achterlijk om te denken dat je in een vrije samenleving de overheid zou kunnen missen. En omgekeerd zijn sociaal-democraten al lang genezen van het idee dat een almachtige overheid alles naar haar hand zou kunnen zetten.
Zelfs als je de tegenstelling beperkt, zoals Kok doet, tot een kwestie van meer of minder overheid en/of markt heb je nog een probleem, want op grond van welke criteria, op grond van welke inzichten kom je tot dat meer of minder? En omdat juist die vragen niet de eenvoudigste zijn, dient zich vanzelf ook de vraag aan of het dan niet zeldzaam hoogmoedig is de rest van politiek Nederland domweg af te schrijven.
Tegen deze achtergrond is het de moeite waard een verhandeling te lezen van een illustere voorganger van Wim Kok, oud-premier Willem Drees. Vaak is een vergelijking gemaakt tussen deze twee PvdA-voorlieden, niet zelden met de uitkomst dat Kok lijkt op Drees: dezelfde neiging tot zuinigheid, dezelfde soberheid, hetzelfde pragmatisme.
Tot op zekere hoogte is dat waar. Kok geniet vanwege zijn zo langzamerhand spreekwoordelijke zuinigheid groot vertrouwen bij ondernemend Nederland. Maar als het daarentegen gaat om het denken in gemakkelijke tweedelingen, of om een waardering van het socialisme als zodanig, dan blijkt er tussen Drees en Kok een aanzienlijke kloof te gapen.
Hoe groot die kloof is kunnen we vaststellen dankzij een spectaculaire vondst van twee biografieschrijvers van Drees, de politicologen H. Daalder en J. H. Gaemers. Op hun speurtocht in het Rijksarchief te Den Haag troffen zij onlangs tot hun niet geringe verbazing een kant en klaar manuscript aan voor een boek over de toekomst van Nederland dat Drees in de oorlogsjaren blijkt te hebben geschreven. De PvdA-voorman heeft het echter terzijde gelegd omdat hij kort na de oorlog minister werd en later premier en sindsdien raakte het in de vergetelheid. Zelfs zijn naaste familieleden wisten van het bestaan van het boek niet af.
Het boek rekent af met de mythe dat Drees een typische klein-Nederlandse politicus was die van de grote wereld om hem heen geen kaas gegeten had. Maar wel zo aardig is ook dat Drees zich op zijn onderduikadres en temidden van zijn veelvuldige illegale activiteiten indringend blijkt te hebben beziggehouden met de toekomstige partijverhoudingen in Nederland.
Politieke partijen waren tekortgeschoten in het vinden van het juiste antwoord op de economische crises en één van de gevolgen daarvan was weer dat fascisme en nazisme de wind volop in de zeilen hadden gekregen. Weliswaar had een beweging als de NSB in Nederland onvoldoende voet aan de grond gekregen, maar toch was de onvrede over de verstarde politieke verhoudingen groot. Hoe na de oorlog verder te gaan: voortgaan op de oude weg, of een poging ondernemen tot een ingrijpende wijziging van het partijpolitieke landschap?
Het zal Wim Kok niet verbazen dat één variant brede belangstelling trok, namelijk die van een vergaande versimpeling van de vaderlandse politiek tot een tweedeling tussen progressieven en conservatieven. Optimisten geloofden dat het mogelijk was zo tot een noodzakelijk geachte vernieuwing van de Nederlandse samenleving te kunnen komen: de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij(SDAP) zou zich presenteren als een brede progressieve arbeiderspartij, die aantrekkelijk zou kunnen zijn voor flinke delen van de toenmalige Rooms Katholieke Staatspartij, de Christelijk Historische Unie en de liberale vrijzinnig democraten. De rest van politiek Nederland moest maar zien onderdak te komen in een conservatieve formatie.
Wat Kok wel zal verbazen is dat Drees niets zag in zo'n versimpeling. Om te beginnen geloofde hij niet dat zo'n doorbraak in de Nederlandse verhoudingen succes zou kunnen hebben, wat achteraf ook een realistische schatting bleek te zijn. Zijn ongeloof baseerde hij op de verhoudingen zoals die in Nederland gegroeid waren en waarvan de kern is dat hier de partijvorming op basis van een confessie, een kerkelijk geloof, al grotendeels voltooid was voor sociaal-economische tegenstellingen het politieke toneel gingen beheersen. Drees betreurt het dat godsdienstige scheidingslijnen de Nederlandse politiek zijn gaan beheersen, maar hij ziet eenvoudig niet hoe je de klok nog terug zou kunnen draaien.
Evenmin ziet Drees er enig heil in om de sociaal-democratische beweging te voorzien van een ruim geformuleerde christelijke grondslag. Die oplossing is tijdens de oorlogsjaren bedacht door sociaal-democraten, die op deze manier christelijke arbeiders een gemakkelijker overstap dachten te kunnen laten maken naar een progressieve partij. Drees geeft hen in zoverre gelijk dat hij erkent dat het christendom bij de vorming van het 'Nederlandse volkskarakter' van 'overwegende' betekenis is geweest, toch zou hij het onjuist vinden zo'n grondslag voor een socialistische partij tot uitgangspunt te nemen. Bovendien schat hij in dat zo'n ruim geformuleerde grondslag voor overtuigde aanhangers van confessionele partijen weinig aantrekkelijk zal zijn.
Het belangrijkste punt voor Drees is echter dat hij zo'n tweedeling, culminerend in de tot standkoming van een progressieve partij, ziet als een onaanvaardbare verwatering van het socialistische ideaal. Hij schrijft: “De partij is niet heilig en onaantastbaar. Zij is echter ook niet een willekeurige vereniging die zonder veel bezwaar kan worden opgeheven. Zij heeft tallozen gewekt uit dofheid, onwetendheid, onverschilligheid, zij heeft hun bezieling geschonken, geestdrift voor een ideaal, heeft de weg gewezen naar een menselijker samenleving, heeft solidariteit gekweekt in de strijd en wil tot medewerking aan maatschappelijke opbouw, begrip voor internationale saamhorigheid.”
En: “In een partij echter, wil zij in het volksgeheel levenwekkende kracht hebben, moet eenheid bestaan over verder liggende doelstellingen, moet, ook bij samenwerking tussen groepen met verschillende geloofsovertuigng, een zekere eenheid en geestesgesteldheid heersen tegenover de toekomst der maatschappij, moeten grote idealen leven, die blijvend bezieling wekken. Dan kan van haar veel groter stuwkracht uitgaan dan wanneer reeds in haar midden te veel tegenstellingen leven, te veel compromissen moeten worden gesloten, hoe onvermijdelijk ook compromissen in de staatkunde ten slotte kunnen blijken.”
Zijn kernachtig oordeel over de voorstanders van zo'n brede progressieve partij: “Het staat voor mij vast dat zij dwalen. (. . .) Zelfs als het aanvankelijke succes aan hun verwachtingen beantwoordde dan zou die partij geen blijvende eenheid blijken. En zeker zou zij niet waarlijk socialistisch zijn en geen stuwkracht in socialistische richting ontwikkelen. Zij zou (. . .) niet een verbreding betekenen, maar een verenging. Zij zou geen deel meer uitmaken van een beweging met een wereldwijd doel.”
Van Drees is wel gezegd dat hij een pragmaticus was, geen bevlogen socialist. En inderdaad in de dagelijkse politiek was hij vooral de ervaren wethouder van Nederland, zoals Jacques de Kadt hem heeft getypeerd. Daarin klinkt al gauw iets provinciaals door, maar veeleer is het een ere-titel: de sociaal-democratie heeft wethouders voortgebracht met een ruime blik en een open oog voor samenwerkingsmogelijkheden. Denk aan Wibaut en ook aan Drees die jarenlang met succes wethouder was te Den Haag. Het waren realisten met gevoel voor de mogelijkheden en onmogelijkheden van de Nederlandse politiek.
Maar het waren tegelijktertijd ook idealisten die wisten dat een politieke partij het moet hebben van welomlijnde politieke idealen en die alleen daarom al een vergaande versimpeling als onaanvaardbaar van de hand wezen. Tussen Kok en Drees blijkt op dit punt een kloof te gapen. Een kloof die er welbeschouwd uit bestaat dat Kok de band met het socialistische ideaal heeft doorgeknipt, waar Drees die voor de toekomst van zijn partij juist van wezenlijke betekenis achtte. Kok denkt dat een bredere basis voor zijn partij noodzakelijk is om te kunnen overleven. Drees noemt dit juist een onaanvaardbare verenging.
Drees kreeg het gelijk aan zijn kant gedurende de eerste decennia van na de oorlog. De toekomst zal moeten leren of Kok in 2010 alsnog het gelijk van het doorbraak-ideaal van kort na de oorlog aan zijn kant kan krijgen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.